NBSTRAF 2017/134, Hoge Raad 14-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:421, 462.16

Inhoudsindicatie

Bewijs, Motiveringsvoorschrift, Verklaring onder codenummer, Vrijwillige terugtred

Samenvatting

De opvatting dat het motiveringsvoorschrift van art. 360 lid 1 Sv zonder meer van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van een door een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal, is onjuist. De omstandigheid dat een onder codenummer bekende opsporingsambtenaar naderhand is verhoord op de wijze als voorzien in de art. 190 lid 3 en 290 lid 3 Sv meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360 lid 1 Sv ook van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van het eerder onder codenummer opgemaakte proces-verbaal houdende de verklaring van de desbetreffende opsporingsambtenaar, doet zich in het onderhavige geval niet voor.

De opvatting dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr, indien sprake is van een zogenoemde voltooide poging, is onjuist. Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht. Het gaat er niet om of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging is veelal een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. In het onderhavige geval is aan het beroep op vrijwillige terugtred slechts ten grondslag gelegd dat “de plannen zijn afgeblazen”. Nu in dat verband geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit bijvoorbeeld volgt dat de verdachte zodanig is opgetreden dat dit optreden naar aard en tijdstip geschikt was het intreden van het gevolg te beletten, faalt het opgeworpen verweer.

Uitspraak

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 20 januari 2012 tot en met 24 januari 2012 te Amsterdam, door het verschaffen van inlichtingen en beloften heeft gepoogd Sammy H. te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam) opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten Henk de G., van het leven beroven, immers heeft verdachte toen en daar:

– tegen die Sammy H. verteld op welke wijze hij (Sammy H.) het kantoor van die Henk de G. kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die Sammy H. gezegd dat hij het kantoor van die Henk de G. in moest gaan met een meisje en dat hij rustig naar binnen moest gaan en rustig spullen moest pakken en binnen 5 minuten moest wachten en rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en

– een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die Henk de G. en

– tegen die Sammy H. gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft.”

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Joop de Zwart. Dit proces houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 13 e.v.):

Op maandag 6 februari 2012 las ik een e-mailbericht van Karel van Zoelen, werkzaam bij het mediabedrijf Inter View uit Amsterdam. De inhoud van het bericht luidde:

Wij zijn vorige week benaderd door een Surinamer die zich Hesley F. noemt. Hij vertelde dat een vriend van hem was gevraagd om een huurmoord te plegen. Deze vriend zou Sammy H. heten.

Twee maal zijn Sammy H. en Hesley F. afgelopen week bij ons op kantoor geweest. Sammy H. zegt dat hij een vriendin heeft die voor een escortbureau werkt. Zij vertelde hem laatst dat haar baas iemand zocht om een concurrent uit de escortwereld uit de weg te ruimen. Sammy H. heeft toen via die vriendin aan haar baas laten weten dat hij dat wel wilde doen. Zo kwam Sammy H. in contact met de opdrachtgever. Die zou kantoor houden aan de Elandsgracht in de buurt van het politiebureau. Het slachtoffer zou ook een man zijn uit de escortwereld. Sammy H. had van de opdrachtgever een adres gekregen waar deze kantoor zou houden. Dit zou zijn aan de Marnixkade in Amsterdam. Via de KvK heb ik gezien dat er inderdaad een escortbaas daar zijn kantoor heeft: Henk de G.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111-13 van 7 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Pieter van der Kerf. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 57 e.v.):

Op 6 februari zijn er diverse aanhoudingen verricht. Hierbij zijn goederen in beslag genomen waaronder een USB stick van de verdachte Sammy H. In deze USB stick zat een micro SD-kaart. Deze SD kaart is nader onderzocht. Het bleek dat er beeld en opname apparatuur waren geplaatst op de SD kaart. Deze opname is hieronder uitgewerkt.

J= Sammy (het hof begrijpt: Sammy H.)

A= verdachte

Datum van opname zoals weergegeven op de gegevensdrager: 24 januari 2012 (blz. 58)

A= ...met een meisje naar binnen te gaan en kan je de deur dicht doen ..en dan pang

J= O maar er is echt niemand anders in dat gebouw.

A= Ja de portier, je moet wel een geluidsdemper hebben.

A= Ja maar eerst moet het gebeuren ik moet de zekerheid hebben dat het is gebeurd en morgen heb ik het (het hof begrijpt: het geld).

A= Ik moet morgen in de krant lezen dat het gebeurd is.

A= ja maar ik betaal er ook goed voor.

A= morgen heb ik het geld.

(blz. 59)

A= Zo een klus als dit.. Vijfentwintig à dertig duizend.

A= Kijk als er andere mensen bij zijn dan moeten die ook maar (A maakt hierbij een handgebaar van een pistool)

J= ja dat bedoel ik. Is dubbel moord.

A= Kijk als er nou één of meerdere moeten gaan het maakt mij niet uit. Kijk als het om hem gedaan is, gericht op hem dan lijkt het wel een overval en iedereen kan het dan gedaan hebben. Iedereen weet dat daar geld is. Kijk je moet alles meenemen. Dan lijkt het op een beroving als alle spullen zijn weggehaald. Dan denken ze dat het geen hit is, maar een beroving.

A= Als het gebeurd is gelijk de snelweg op.

(blz. 60)

A= je laat het meisje mee naar binnen. Je beter meelopen met het meisje mee naar binnen. Rustig. Helemaal naar binnen. Normaal. Rustig naar binnen, rustig spullen pakken en rustig eruit niet te snel. Anders denkt de portier dat is ook raar na twee personen naar binnen en na dertig seconden rennend eruit. Beter vijf minuten wachten, rustig al die spullen in een Albert Heijn tas, laptop telefoons mobiele alles wat er is en heel rustig eruit lopen. Deur netjes dicht en rustig met het meisje eruit lopen. De portier heeft er geen erg in. Rustig weg. Voordat ze hem vinden.

J= Is goed. Komt goed man.

A= Kan je vanavond niet even het bewijs geven?

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [003] en [004]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 66 e.v.):

(blz. 68 en 69)

Onder de verdachte Sammy H. is bij de aanhouding beeld- en geluidsmateriaal in beslag genomen. Het onder de verdachte Sammy H. in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is bekeken. Uit een vergelijking van de ter beschikking gestelde foto’s van verdachte en het in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is gebleken dat de manspersoon die te zien is op de beeldopnamen en die de opdracht tot liquidatie geeft, verdachte is.

4. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20111295735 van 10 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Johnny Winters en Frans Kasteel. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de verdachte Sandra B. (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 288 e.v.):

(p. 289)

Ongeveer 2 jaar geleden ben ik in contact gekomen met verdachte. Verdachte runde destijds al een escortservice vanaf het pand Marnixkade te Amsterdam.

Verdachte was op een gegeven moment erg boos op Henk (het hof begrijpt: Henk de G.)

(p. 290)

Ik weet niet hoe verdachte er toe kwam om mij het te vragen. Ineens vroeg hij mij of ik een hitman kende.

5. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011295735 van 11 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Geert Janszoon en Johnny Winters. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige [betrokkene 5] (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 293 e.v.):

(p. 298)

V: wat had verdachte aan jouw moeder gevraagd?

A: ik had gehoord van mijn moeder, dat verdachte tegen mijn moeder had gezegd dat hij op zoek was naar mensen om Henk de G. om te leggen.

6. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2012034111 van 19 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Peter Marcus en Johnny Winters. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige Pietje P. (Proces-verbaal origineel 13 Bejar en 13 Dosha na samenvoeging, aangiften en getuigen, blz. 26 e.v.)

(p. 29)

A: Sandra B. zei met een glimlach op haar gezicht gewoon: ‘Gerard wil je niet 20.000 euro verdienen. Er moet iemand omgelegd worden’ Ik zei doe even normaal man. Hierop zei ze ‘Nee ik meen het’. Van wie dan? Vroeg ik. Ze zei: ‘Ja voor Jaap’ (het hof begrijpt: de verdachte). Een paar dagen later vertelde ze mij dat het om Henk (het hof begrijpt: Henk de G.) ging.

7. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

(p. 19)

Sammy H. is bij mij op kantoor geweest.

8. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige Sammy H.:

(p. 10)

De voorzitter houdt aan de getuige de verdere inhoud van de verklaring voor waarin de verdachte verklaart dat de getuige aan verdachte heeft voorgesteld om Henk de G. ‘koud te maken’ voor € 25.000, maar verdachte dit niet nodig vond en de verdachte de getuige heeft verzocht om het geschil met Henk de G. uit te praten, waarvoor de getuige een paar duizend euro zou ontvangen, waarop de getuige heeft verklaard dat dit niet voldoende zou zijn.

De getuige Sammy H. antwoordt op deze vraag als volgt:

Ik heb nog nooit gehoord wat u nu voorleest. Ik weet niet wat daar staat. Het kan niet kloppen dat ik heb voorgesteld om iemand ‘koud te maken’. Ik ben helemaal niet gewelddadig. Ik kan iemand niet zoiets aanbieden. Ik kan niet de woorden ‘koud maken’ hebben gebruikt.”

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 360 lid 1 Sv heeft verzuimd in zijn arrest in het bijzonder de redenen op te geven waarom het voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van door onder codenummers aangeduide opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal (bewijsmiddelen 1 t/m 6).

3.2. Art. 360 lid 1 Sv luidt:

“Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of rechtbank, houdende de verklaring

– van de getuige, bedoeld in artikel 216a, tweede lid of

– van de bedreigde of afgeschermde getuige, of

– van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de artikelen 190, derde lid, en 290, derde lid, of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het bijzonder reden.”

3.3. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat het motiveringsvoorschrift van art. 360 lid 1 Sv zonder meer van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van een door een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. Die opvatting is onjuist. In zijn arrest van 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362, NbSr 2014/99 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat een onder codenummer bekende opsporingsambtenaar naderhand is verhoord op de wijze als voorzien in de art. 190 lid 3 en 290 lid 3 Sv meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360 lid 1 Sv ook van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van het eerder onder codenummer opgemaakte proces-verbaal houdende de verklaring van de desbetreffende opsporingsambtenaar. Die situatie doet zich, anders dan het middel kennelijk voorstaat, in het onderhavige geval niet voor.

3.4. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het vijfde middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr.

4.2.1. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen:

“De raadsman heeft verzocht de verdachte om drie redenen vrij te spreken van het ten laste gelegde feit:

1. de verdachte is niet degene geweest van wie het initiatief is uitgegaan om Henk de G. te vermoorden. Dat was Sammy H., en daarmee heeft de verdachte niet uitgelokt.

2. de verdachte heeft geen poging gedaan Henk de G. te laten vermoorden. Uit de gesprekken volgt onvoldoende dat daarover als zodanig is gesproken. In ieder geval was er geen moordplan.

3. indien en voor zover er wel een moordplan heeft bestaan, is er geen sprake geweest van een strafbare poging, omdat de verdachte vrijwillig is teruggetreden.

De verweren van de raadsman zijn gebaseerd op het ter terechtzitting van 1 augustus 2012 door de verdachte geschetste alternatieve scenario. De verdediging heeft dit scenario geen handen en voeten gegeven, terwijl het wordt weerlegd door de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen, waarbij het hof nog het volgende overweegt.

Uit de inhoud van een opgenomen (tweede) gesprek tussen de verdachte en Sammy H. blijkt dat er geen misverstand kan bestaan over de intenties van de verdachte, namelijk dat Sammy H. tegen betaling van een geldbedrag Henk de G. van het leven diende te beroven. Dat het initiatief tot het van het leven beroven van Henk de G. bij de verdachte lag, volgt ook uit getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de verdachte aan Sandra B. heeft gevraagd of zij ‘een hitman’ kende die Henk de G. kon vermoorden. In voornoemd opgenomen gesprek geeft de verdachte Sammy H. ook de opdracht en de instructies om Henk de G. te vermoorden en stelt hem daarbij een geldelijke beloning in het vooruitzicht. Nu de verdachte de bedoeling had en er kennelijk vanuit ging dat Sammy H. deze opdracht na dat gesprek zou uitvoeren (‘kan je vanavond niet even het bewijs geven’) was uiterlijk na dat (tweede) gesprek het ten laste gelegde feit voltooid. Bij die stand van zaken is vrijwillige terugtred niet meer mogelijk.”

4.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2015 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Cliënt moet worden vrijgesproken omdat hij vrijwillig is teruggetreden. Van een strafbare poging is sprake, als de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvormen moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf, aldus de Hoge Raad. Van een poging is geen sprake als het misdrijf niet is voltooid door omstandigheden die afhankelijk zijn van de wil van de verdachte, aldus art. 46b Sr, de zogenaamde vrijwillige terugtred. Daarvoor is vereist dat door toedoen van cliënt het aanvankelijk beoogde misdrijf uitblijft. Dat is nu exact waarvan in deze zaak sprake is.

Maar voordat die grotere standpunten worden toegelicht eerst wat kleiner, maar juridisch ook relevante, verweren:

(...)

Er zijn drie relevante gesprekken:

(...)

In het derde gesprek zijn de plannen – van beide zijden – afgeblazen

Cliënt heeft nadien geen stappen gezet om iemand te benaderen om Henk de G. om het leven te brengen.

(...)

Cliënt in zijn verklaringen:

(...)

Mijn vermoeden is dat er nog een tweede gesprek heeft plaatsgevonden, een tweede video. Mijn vermoeden is dat daar op staat dat de zaak is afgeblazen.

(...)

Uit deze fragmenten volgt, dat het Sammy H. er om te doen was om ervoor te zorgen dat er op een bepaald bij Sammy H. bekend moment op een voor Sammy H. bekende plaats een groot geldbedrag zou liggen.

Cliënt besefte dat en hield zich dus groot, deed alsof maar deed verder niets om het misdrijf uit te lokken: hij betaalt niet, hij maakt geen afspraken wanneer hij het geld zou hebben en men gaat uit elkaar zonder ‘overeenstemming’.

En, wat er al zou besproken, wordt van beide zijden afgeblazen.”

4.2.3. Het Hof heeft gerefereerd aan hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 augustus 2012 houdt als verklaring van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“U houdt mij voor dat ik in het gesprek dat op video is opgenomen, zeg dat ik bijna twee keer ben overvallen. Ik deel u mee dat ik volgens mij niet zeg ‘bijna’, want ik ben echt overvallen. Dat geeft alleen maar aan dat ik tijdens het gesprek onzin aan het vertellen ben.

Sammy H. was een slechte oplichter. Al vanaf het begin had ik door dat hij een spelletje speelde en dat heb ik meegespeeld. Ik was namelijk bang dat er iets zou gebeuren, want ik had het idee dat hij een van de overvallers van de tweede overval was. Bij de tweede overval hadden twee meisjes de buitendeur open gezet, zodat drie mannen met een capuchon op naar binnen konden springen. Gelukkig kon ik de deur snel dichttrekken en heeft Sandra B. de politie gebeld. Ik zag dat de twee meisjes met de drie mannen wegliepen. Deze meisjes zijn later aangehouden, maar hebben verklaard de jongens niet te kennen. Uit het dossier blijkt dat Frida L. heeft verklaard dat vrienden van haar mij hebben geprobeerd te overvallen.

De gesprekken met Sammy H. vonden op mijn kantoor plaats. Op een zaterdag zei Frida L. dat zij een neef had die chauffeur wilde worden. Ze zei dat hij te vertrouwen was, dus ik zei dat ze hem langs kon brengen. De zondag daarop kwam Sammy H. om 18:00 uur langs en hebben we een gesprek gehad. Hij vertelde dat hij chauffeur wilde worden. Ik vroeg zijn adres, zodat ik wist waar hij woonde als hij met mijn geld er vandoor wilde gaan. Ik zei tegen hem dat ik dan zijn banden lek zou steken. Hij vroeg of hij niet dat soort klusjes kon doen, maar ik zei dat ik dat niet wist. We hebben het vervolgens weer over het werken als chauffeur gehad. Hij wilde € 100,= voor een navigatiesysteem hebben, maar dat vond ik onzin. Telkens begon Sammy H. weer over die klusjes te praten. Ik zei hem dat ik van drie chauffeurs nog geld kreeg en dat hij eventueel dat zou kunnen doen. Ook vertelde ik hem dat ik ruzie had met een concurrent en dat Sammy H. misschien met hem kon praten om hem te zeggen dat hij moest ophouden. Sammy H. zei mij dat hij gespecialiseerd was in dat soort dingen en dat hij dat wel wilde doen. Ik heb hem toen de naam van Henk de G. gegeven en heb gezegd dat hij naar hem toe moest gaan. Ik heb Sammy H. geen foto van Henk de G. gegeven, maar alleen beschreven hoe hij eruit zag. Ook heb ik het adres van de website van Henk de G. met daarop zijn adres verteld. Sammy H. moest van mij met Henk de G. gaan praten en als Henk de G. niet wilde ophouden, dan mocht Sammy H. hem bang maken. Hij mocht van mij Henk de G. daarbij op de grond gooien. Sammy H. stelde voor Henk de G. voor mij koud te maken, maar ik zei hem dat ik dat te veel gedoe vond. Hierop zei Sammy H. dat hij dat voor € 25.000,= wilde doen. Dat vond ik echter niet nodig en ik zei dat Sammy H. er met praten wel uit zou komen. Omdat Henk de G. niet van negers houdt, heb ik Sammy H. geadviseerd een meisje mee te nemen en te zeggen dat hij haar chauffeur was. Omdat Sammy H. aanbood banden lek te willen steken, zei ik dat hij dat ook bij de auto van Henk de G. mocht doen. Hij was echter niet geïnteresseerd in wat ik zei, want het verdiende niets. Hij wilde een grote klus en stond erop dat het beste was als hij Henk de G. zou neerschieten. Ik maakte duidelijk dat ik dat niet wilde. Sammy H. zei vervolgens dat hij het niet zou doen. Ik adviseerde hem die avond langs te gaan, omdat Henk de G. alleen op zaterdag- en zondagavond werkte. Ik zei dat hij Henk de G. bang mocht maken en desnoods de ramen van zijn kantoor kapot mocht slaan. Dat liet ik aan hem over. Voor deze klus zou Sammy H. een paar duizend euro krijgen, maar hij zei dat dat niet genoeg was. Ik zei dat hij bij mij aan het verkeerde adres was en dat ik al tevreden was als Henk de G. zou stoppen. Henk de G. hoefde van mij niet dood.

Ik had het gevoel dat er iets niet klopte bij Sammy H. Hij probeerde me over te halen om iets te doen dat ik niet wilde. Die zondagavond is hij niet meer komen opdagen. De volgende twee gesprekken hebben de volgende dag, maandag, plaatsgevonden.

Op maandag belde Sammy H. om 18:00 uur bij mij aan. Ik wist niet dat hij zou komen. Ik dacht dat hij met Henk de G. had gepraat en zei: ‘Vertel’. Vervolgens begon hij te praten over Polen. Omdat ik dacht dat er iets niet klopte en hij op een van de jongens die mij hadden geprobeerd te overvallen, leek, werd ik bang van hem. Die overvallers waren namelijk ook via Surinaamse meisjes binnengekomen. Dit gesprek betreft het tweede gesprek en is op video opgenomen. Dat het op video werd opgenomen wist ik niet. In dit gesprek ging hij ineens doen alsof hij een hitman was. Dat vond ik vreemd en zijn verhaal klopte ook van geen kanten. Ik wilde hem gewoon maar laten lullen, maar ik wilde me ook niet zwak opstellen. Daarom heb ik gezegd: ‘Dan schiet je iedereen maar neer’. Ik speelde met hem mee, omdat ik dacht dat ik anders nooit van hem af zou komen. Sammy H. zei dat de Polen op de bonnefooi naar Nederland waren gekomen en geld nodig hadden voor eten en een hotel. Ik dacht echter dat als ik geld op tafel zou leggen, hij mij zou beroven. Dat is de reden waarom ik zei dat ik het niet had.

U houdt mij voor dat het erop lijkt dat Sammy H. het geld pas zou krijgen als het gebeurd zou zijn en dat ik geen voorschot wilde geven. Ik deel u mee dat ik de schijn wilde ophouden tot hij mijn kantoor verliet. Ik dacht dat Sammy H. dan wel zou afdruipen. Ik wist gewoon dat hij niets zou doen.

Ik vind het jammer dat het eerste gesprek niet is opgenomen. Aan zijn gedragingen was namelijk duidelijk te zien dat hij geen professional was. Hij probeerde stoer te doen. Ik dacht dat hij geen moordenaar was, maar slechts een kruimeldief. Ik was dan ook niet bang dat hij mij zou vermoorden, maar ik had ook geen zin in iemand die mij zou komen afpersen.

Na een paar uur kwam Sammy H. weer langs en begon te zeuren. Ik zei dat het nu genoeg was en toen is hij weggaan. In dat laatste gesprek heb ik duidelijk gemaakt dat ik er genoeg van had. Ik zei dat ik vanaf het begin al had gezegd dat ik hem niet zou betalen.

Het klopt niet dat ik in de gevangenis door ben gegaan met een campagne richting Henk de G. . Ik heb niets gedaan toen ik vastzat. Sandra B. heeft tot eind maart 2012 de zaakjes bestierd en toen bleek dat ze € 10.000,= had gestolen. Alle telefoons had ze doorgeschakeld naar haar eigen telefoon, omdat ze bang was om naar het kantoor te gaan. Ik zei dat dat niet goed voor de business was en dat ze anders kon gaan Toen heeft zij het geld gestolen en is voor de concurrent gaan werken. Sandra B. zei een keer tegen me dat iedereen een loopje met me nam en schepte vervolgens op dat haar man in het milieu zat. Ik heb dat toen afgeblazen. Zoveel mensen hebben mij bedonderd en als ik die allemaal moet omleggen, dan blijf ik aan de gang. Sandra B. heeft dingen zitten aandikken. Ik heb haar niet gezegd dat ik iemand dood wilde hebben.

Ik heb inderdaad een brief geschreven dat Sandra B. naar Sammy H. moest gaan. Het enige dat die jongen wilde, was geld. Daarom heb ik in mijn brief bedragen genoemd. In eerste instantie heb ik Sandra B. gevraagd, maar zij zei dat Steve B. het zou doen. Omdat mijn advocaat zei dat het geen goed idee was, heb ik Steve B. gezegd dat hij het niet moest doen. Ik wilde dat Sammy H. het juiste zou verklaren. Als hij dat had gedaan, dan had ik mijn bedrijf nog kunnen redden. Martin G. en Ron van E. hebben dat geprobeerd, maar dat is ze niet gelukt.

Van Tonny van D. hoorde ik dat Henk de G. haar steeds belde om voor hem te komen werken. Dat probeerde hij ook bij andere meisjes. Henk de G. heeft toen tegen Tonny van D. gezegd dat ik problemen had met de belasting. Dat vond ik onder de gordel en daarom heb ik een voicemailbericht achtergelaten. Het is volgens mij geen misdrijf om iemand uit te schelden. Henk de G. wilde gewoon mijn bedrijf kapot maken.

Ik wijs u op de verklaring van Cockie de W. Hij heeft niet verklaard dat ik een moordenaar zocht. Hij heeft mij nog nooit gezien.

Met de aanslag met de handgranaat heb ik niets te maken. In die periode spraken wij nog gewoon met elkaar. Henk de G. heeft ook andere vijanden, want hij doet geen eerlijke zaken. Zo’n hekel had ik ook niet aan hem. Hij was slechts mijn concurrent. Alphons K. ken ik niet.

Op vragen van de oudste rechter verklaar ik dat de twee briefjes van vijftig euro voor de Polen waren die naar Nederland waren gekomen. Ik wist niet zeker of ze waren gekomen en dacht dat ze misschien ineens voor de deur zouden staan. Ook wilde ik geen moeilijkheden met Sammy H. en misschien kon ik hem nog gebruiken. In het eerste gesprek deed Sammy H. heel erg raar en probeerde me iets op te leggen dat ik niet wilde doen. Hij zat de hele tijd te zeuren dat hij geld nodig had. Hij kwam op mij over als een oplichter en dat gevoel is juist gebleken. Ik mag wel iemand dood wensen, maar dat betekent niet dat ik iemand ga betalen om dat te doen. Vanaf het begin heb ik Sammy H. gezegd dat ik hem niet zou betalen, maar daar was hij wel op uit.”

 

4.3. Aan de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred ligt het oordeel ten grondslag dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr, indien sprake is van een zogenoemde voltooide poging. Die opvatting is onjuist. Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht. Het gaat niet erom of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29, NbSr 2007/2).

4.4. Hoewel het middel terecht klaagt dat de overwegingen van het Hof blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip “vrijwillige terugtred” als bedoeld in art. 46b Sr, leidt het niet tot cassatie. Blijkens hetgeen onder 4.2.2 is weergegeven is immers aan het beroep op vrijwillige terugtred slechts ten grondslag gelegd dat “de plannen zijn afgeblazen”. Nu in dat verband geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit bijvoorbeeld volgt dat de verdachte zodanig is opgetreden dat dit optreden naar aard en tijdstip geschikt was het intreden van het gevolg te beletten, is het aangevoerde ontoereikend voor het slagen van het verweer.

Verder lezen
Terug naar overzicht