NBSTRAF 2017/136, Hoge Raad 14-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:416, 1843.16

Inhoudsindicatie

Samenspanning met terroristisch oogmerk, Deelneming terroristische organisatie, Werven van gelden

Samenvatting

De opvatting dat het voldoende is om tot een bewezenverklaring van de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist, is juist. Vereist is slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht. Het oordeel van het Hof dat voor toepassing van art. 96 lid 2 Sr vereist is dat “tijd, plaats en wijze van uitvoering” van de door de verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan, is dus onjuist.

De opvatting dat voor het “werven van gelden” als bedoeld in art. 140 lid 4 Sr niet is vereist dat die gelden (reeds) ten goede zijn gekomen aan de in dat artikel bedoelde organisatie, is juist. Bij het “werven van gelden” is niet doorslaggevend of het werven resultaat heeft doordat gelden ten goede van de in art. 140 lid 4 Sr bedoelde organisatie zijn gekomen. Bij een andere uitleg zou onduidelijk zijn wat de zelfstandige betekenis is van het in art. 140 lid 4 Sr opgenomen begrip “verlenen van geldelijke steun”. Door te oordelen dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat de door hem geworven gelden (al) ten goede van de organisatie waren gekomen, heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven aan art. 140 lid 4 Sr. Het oordeel van het Hof dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie omdat niet kan worden bewezen dat hij (al) behoorde tot die organisatie, draagt echter de gegeven vrijspraak zelfstandig (zie ook NbSr 2017/137).

Uitspraak

3. Beoordeling van het eerste door de advocaat-generaal bij het Hof voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof door de verdachte vrij te spreken van het hem onder 1 en 2A tenlastegelegde omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte een concrete moord en/of doodslag heeft voorbereid of bevorderd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.2.1. Aan de verdachte is onder 1 en 2A tenlastegelegd dat:

“hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) (of meer) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven zich en/of aan zijn mededader(s) heeft getracht te verschaffen en/of

(een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij/zij wist(en) dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrij(f)(ven),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië, en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto(’s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze – na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië – aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto(’s), en/of

3. geld (in totaal – ongeveer – 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video(’s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-M0-1-1) met daarop:

– een filmpje ‘Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5’, en/of

– een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

– een filmpje van LiveLeak, met de naam ‘Syria – Tank gets unkilled’, en/of

– diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

– een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

– een artikel van de site ‘wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html’, en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.

2A

hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

– een ander heeft getracht te bewegen om het/de misdrijf/misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

– gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven aan zich of (een) ander(en), in het bijzonder ook aan Jalil M. en/of een (of meer) ander(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

– (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto(’s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze – na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië – aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto(’s), en/of

3. geld (in totaal – ongeveer – 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video(’s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-M0-1-1) met daarop:

– een filmpje ‘Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5’, en/of

– een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

– een filmpje van LiveLeak, met de naam ‘Syria – Tank gets unkilled’, en/of

– diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

– een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

– een artikel van de site ‘wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html’, en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.”

3.2.2. Het Hof heeft de verdachte van het hem onder 1 en 2A tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Verdachte wordt onder deze feiten ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – handelingen heeft verricht met het oogmerk om moord en/of doodslag, telkens begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen.

Op 14 augustus 2013 werden verdachte (in een gehuurde BMW 520d) en medeverdachte Mahmed P. (in een gehuurde Audi A3) in Kleef (Duitsland) aangehouden. In de beide auto’s werden onder meer geld, kleding, telefoons en brillen aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op weg was naar zijn broer die op dat moment in Syrië verbleef en bezig was met de gewapende strijd. In het dossier bevinden zich voorts WhatsApp-gesprekken en sms-berichten tussen verdachte en zijn broer en tussen verdachte en zijn echtgenote. Ook bevindt zich in het dossier een afscheidsbrief van de echtgenote van verdachte aan verdachte.

Het hof is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen, WhatsApp-gesprekken, sms-berichten en de bij verdachte aangetroffen goederen, met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte onderweg was naar zijn broer om daar deel te nemen aan de gewapende strijd. Voorts is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte een aantal van de ten laste gelegde feitelijkheden heeft gepleegd. Daarmee kan ook bewezen worden verklaard dat verdachte zich ‘gelegenheid en middelen heeft getracht te verschaffen’.

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2A tenlastegelegde strafbare feiten is echter ook vereist dat verdachte de gedragingen heeft verricht met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Anders dan bij de strafbare voorbereiding van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht volstaat voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf niet. De wetgever heeft met de strafbaarstelling van artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht beoogd in uitzonderlijke situaties, namelijk bij de dreiging van een concrete aanslag tegen de staatsveiligheid, zeer vroeg in te kunnen grijpen. Enerzijds vallen feitelijke gedragingen snel onder het bereik van dit artikel (de lat: ‘trachten gelegenheid en middelen te verschaffen’ ligt immers niet hoog), anderzijds wordt door de gehanteerde opzetvorm een strenge eis gesteld aan het bewijs. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan, dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd – zoals in de onderhavige zaak met betrekking tot een aantal van de ten laste gelegde handelingen het geval is – is strikte toetsing noodzakelijk.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de ten laste gelegde feiten die verdachte zou hebben voorbereid – moord en doodslag – niet aan de bovengenoemde eis van concreetheid voldoen. Zoals hiervoor is overwogen, is wel vast komen te staan dat verdachte van plan was om zich op enig moment aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië, maar alleen op grond daarvan kan niet bewezen worden verklaard dat hij moord en/of doodslag heeft voorbereid of bevorderd. In het dossier bevindt zich geen enkel bewijsmiddel dat verdachte bezig was met de voorbereiding van een concrete moord of doodslag.

Het hof zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.”

 

3.3. De te dezen toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

– art. 96 Sr:

“1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.”

– art. 288a Sr:

“Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

– art. 289 Sr:

“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

– art. 289a Sr:

“1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”

3.4. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290 houdt met betrekking tot art. 96 lid 1 Sr onder meer het volgende in:

“De aan het woord zijnde leden informeerden vervolgens welke gedragingen moeten worden verstaan onder samenspanning. Zij vroegen om enkele voorbeelden.

Ten antwoord op deze vraag kan voorop worden gesteld dat de samenspanning zelf bestaat in de overeenkomst, en daarmee in wilsovereenstemming. Die wilsovereenstemming kan worden afgeleid uit gesprekken tussen de samenspanners, waarmee justitie – via getuigenverklaringen, tapverslagen of anderszins – op de hoogte komt. Gedacht kan ook worden aan schriftelijke stukken, maar dat ligt bij dit soort overeenkomsten minder voor de hand. Tenslotte is, als bij andere overeenkomsten, in beginsel denkbaar dat wilsovereenstemming uit een hand- of hoofdgebaar blijkt. Een dergelijke overeenkomst kan, en daarin zit een belangrijke beperking van de strafbaarheid, evenwel slechts tot strafbaarheid wegens samenspanning aanleiding geven als zij een concreet misdrijf betreft. De eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf, zijn daarbij vergelijkbaar met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr).”

(Kamerstukken II, 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 23, nota naar aanleiding van het nader verslag)

“Is wel reeds met de voorbereiding van het overeengekomen misdrijf begonnen, dan zal veelal ook artikel 46 Sr kunnen worden toegepast. Net zo min als bij artikel 46 Sr is bij de strafbaarstelling van samenspanning vereist dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering. Wel dient in voldoende mate duidelijkheid te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld.”

(Kamerstukken II, 2003-2004, 28 463, nr. 8, p. 6, tweede nota van wijziging)

3.5. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat – anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen – het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Die opvatting is juist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat moet worden aangenomen dat hetgeen onder 3.4 is weergegeven omtrent de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96 lid 2 Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, NbSr 2002/244 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NbSr 2014/95).

3.6. Het oordeel van het Hof dat voor toepassing van art. 96 lid 2 Sr vereist is dat “tijd, plaats en wijze van uitvoering” van de door de verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan, is dus onjuist. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het tweede door de advocaat-generaal bij het Hof voorgestelde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof wat betreft het onder 3 primair tenlastegelegde een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende, aan art. 140 lid 4 Sr ontleende, woorden “werven van gelden”.

4.2.1. Aan de verdachte is onder 3 primair tenlastegelegd dat:

“hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

– moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 en artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of voorbereiding van moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

– de samenspanning tot het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

– het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

– voorbereiding van moord te begaan met terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

– de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

– het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, door geldelijke en/of andere stoffelijke steun te verlenen aan die organisatie, alsmede door het werven van gelden en/of personen ten behoeve van die organisatie.”

4.2.2. Het Hof heeft de verdachte van het hem tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Verdachte wordt onder dit feit ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een voltooid delict. Verdachte heeft een aantal voorbereidingshandelingen verricht om deel te nemen aan een terroristische organisatie, maar niet kan worden bewezen dat hij (al) behoorde tot die organisatie.

Met betrekking tot het ten laste gelegde werven van gelden overweegt het hof dat in artikel 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat onder deelneming als omschreven in het eerste lid, mede wordt begrepen het werven van gelden ten behoeve van de daar omschreven organisatie. Het hof is van oordeel dat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte gelden heeft geworven, maar niet dat deze (al) ten goede van de organisatie waren gekomen.

Gelet op het bovengenoemde zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.”

 

4.3. De te dezen toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

– art. 140 Sr:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”

– art. 140a Sr:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.”

4.4. Het middel berust op de opvatting dat voor het “werven van gelden” als bedoeld in art. 140 lid 4 Sr niet is vereist dat die gelden (reeds) ten goede zijn gekomen aan de in dat artikel bedoelde organisatie. Die opvatting is juist. Bij het “werven van gelden” is niet doorslaggevend of het werven resultaat heeft doordat gelden ten goede van de in art. 140 lid 4 Sr bedoelde organisatie zijn gekomen. Bij een andere uitleg zou onduidelijk zijn wat de zelfstandige betekenis is van het in art. 140 lid 4 Sr opgenomen begrip “verlenen van geldelijke steun”.

4.5.1. Door te oordelen dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat de door hem geworven gelden (al) ten goede van de organisatie waren gekomen, heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven aan art. 140 lid 4 Sr.

4.5.2. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Het oordeel van het Hof dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie omdat niet kan worden bewezen dat hij (al) behoorde tot die organisatie, draagt de gegeven vrijspraak immers zelfstandig (HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NbSr 2017/137).

4.6. Het middel faalt.

Verder lezen
Terug naar overzicht