NBSTRAF 2017/149, Hoge Raad 21-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:476, 5117.15

Inhoudsindicatie

Afstand aanwezigheidsrecht, Rechtsbijstand

Samenvatting

De Hoge Raad oordeelt dat verdachte rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de officier van justitie in hoger beroep zou gaan tegen de vrijspraak in eerste aanleg, zeker nu dit aldaar door de politierechter aan de officier is medegedeeld. Met het oog op de mogelijkheid van hoger beroep door de officier had verdachte de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat hij van het instellen daarvan en van de datum van de terechtzitting in hoger beroep onkundig zou blijven. Nu verdachte in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en hij zich kennelijk voor hem niet bereikbaar heeft gehouden, is het oordeel van het hof dat het aannemelijk is dat verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en dus vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, niet onbegrijpelijk. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1502, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat nadat tegen de niet verschenen – in eerste aanleg vrijgesproken – verdachte verstek was verleend met de behandeling kon worden voortgegaan, aangezien niet is kunnen blijken dat de verdachte op de hoogte is gekomen van het door de Officier van Justitie ingestelde beroep.

2.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:

“op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2010 tot en met 17 augustus 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten pistool (merk Clock, kaliber 9 x 19 mm), en/of munitie van categorie III, te weten 17 patronen (kaliber 9x19 mm), voorhanden heeft gehad.”

2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte aldaar verschenen en is hij bijgestaan door zijn raadsman, mr. Tahitu. De verdachte is in eerste aanleg van de gehele tenlastelegging vrijgesproken. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt als mededeling van de Politierechter aan de Officier van Justitie in dat zij binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen. De Officier van Justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een op voormeld vonnis betrekking hebbend afschrift van een “aanzegging hoger beroep” met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze aanzegging is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank Amsterdam omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig dr. mr. E. Tahitu advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen. De raadsman verklaart: Ik heb mijn cliënt niet meer kunnen bereiken en ik ben niet gemachtigd. Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. (...) De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 17 mei 2015 te 13.30 uur.”

2.3. Art. 409 Sv luidt:

“1. Nadat hoger beroep is ingesteld, zendt de griffier van de rechtbank de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan den griffier van het gerechtshof. 2. Indien hoger beroep alleen door de officier van justitie is ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geen gevolg gegeven, dan nadat het beroep aan de verdachte is betekend.

3. (...)

4. Indien de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij de verdachte van de gehele telastlegging is vrijgesproken, terwijl het vonnis is gewezen nadat de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geen gevolg gegeven, dan nadat het hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend.”

 

2.4. Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat het hoger beroep van de Officier van Justitie aan de verdachte in persoon had moeten worden betekend, faalt het omdat die opvatting onjuist is. In het onderhavige geval doet zich niet de situatie voor als bedoeld in art. 409, vierde lid, Sv nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen, vergezeld van zijn raadsman.

2.5. Zowel in het geval door of namens de verdachte hoger beroep is ingesteld als wanneer het beroep is ingesteld door de officier van justitie dient de rechter rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 rov. 3.36). Van de verdachte die een rechtsmiddel heeft ingesteld en die prijs stelt op berechting in hoger beroep op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Dat mag ook worden gevergd van de verdachte die geen rechtsmiddel heeft aangewend, maar die ervan op de hoogte is dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld (vgl. HR 17 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2522, NJ 2006/510).

2.6. In het onderhavige geval had de verdachte rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de Officier van Justitie in hoger beroep zou gaan tegen de vrijspraak in eerste aanleg, zeker nu aldaar door de politierechter aan de Officier van Justitie is medegedeeld dat zij binnen veertien dagen hoger beroep kon instellen tegen die vrijspraak. Met het oog op de mogelijkheid van hoger beroep door de Officier van Justitie had de verdachte de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen dienen te nemen om te voorkomen dat hij van het instellen daarvan en van de datum van de terechtzitting in hoger beroep onkundig zou blijven. In dat licht bezien en in aanmerking genomen dat de verdachte, die ter terechtzitting in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman, zich kennelijk niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat aannemelijk is dat de verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en dus vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, niet onbegrijpelijk.

2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Verder lezen
Terug naar overzicht