NBSTRAF 2017/184, Hoge Raad 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:668, 4387.15

Inhoudsindicatie

Samenscholing, Deelneming

Samenvatting

De term “deelnemen” in art. 2.2 Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 komt een eigen betekenis toe. Voldoende voor een bewezenverklaring van “deelnemen” in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep. De opvatting dat voor het bewijs van deelneming aan een samenscholing is vereist dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen, vindt geen steun in het recht.

Het oordeel van het Hof dat de samenkomst niet (primair) het karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie de aangekondigde ontruiming door te zetten door middel van de uitoefening van feitelijke dwang, dat geen sprake was van een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties en dat de gedragingen van de aanwezigen vielen onder de werking van artikel 2.2 van de APV Amsterdam 2008, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Uitspraak

2. Bewezenverklaring en kwalificatie

2.1. Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

“hij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, terwijl hij, bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding gaf en bij enig voorval (te weten de (voorbereiding en uitvoering van de) ontruiming van een of meer panden gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en Passeerdersgracht 25 aldaar, door één of meer ambtenaren van politie) waardoor ongeregeldheden ontstonden, aanwezig was, niet op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg heeft vervolgd in de aangegeven richting, immers heeft verdachte geen gevolg gegeven aan drie vorderingen van de politie om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht;

en

hij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, heeft deelgenomen aan een samenscholing en op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft verdachte deel uitgemaakt van een groep mensen (van ongeveer 150 personen), door en/of vanwege welke groep

– tafels en andere voorwerpen op de rijbaan van de Passeerdersgracht zijn geplaatst en die rijbaan werd geblokkeerd aan de zijde van op die dag door ambtenaren van politie te ontruimen panden (gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en 25) en

– luide muziek werd voortgebracht en op andere wijze veel geluid werd geproduceerd en

– nadat er door de politie (drie maal) was gevorderd dat de groep zich moest verwijderen massaal werd gejoeld en geschreeuwd en

– flessen werden gegooid en

– werd gescandeerd: ‘Kraken gaat door’ en ‘Jullie marionetten van de overheid’ en

– terwijl die groep over de Passeerdersgracht door ambtenaren van politie werd verdreven en bewogen in de richting van de Prinsengracht werd gegooid met diverse voorwerpen, te weten een verfbom en andere voorwerpen en

– schopbewegingen werden gemaakt naar ambtenaren van politie.”

2.2. Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als “overtreding van artikel 2.2 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008” (hierna: APV Amsterdam 2008) en “overtreding van artikel 2.2 lid 1 van de APV Amsterdam 2008”.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het tweede cumulatief tenlastegelegde feit voor zover deze inhoudt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een samenscholing.

3.2. Het eerste lid van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.”

3.3. De term “deelnemen” is in de tenlastelegging en de bewezenverklaring kennelijk gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge de APV Amsterdam 2008 toekomt. De term “deelnemen” in art. 2.2 APV Amsterdam 2008 komt een eigen betekenis toe. Voldoende voor een bewezenverklaring van “deelnemen” in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep. Voor zover het middel derhalve steunt op de opvatting dat voor het bewijs van deelneming aan een samenscholing is vereist dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen, faalt het nu die opvatting geen steun vindt in het recht.

3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “overtreding van artikel 2.2 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 en overtreding van artikel 2.2 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008”.

4.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder “Bewijsverweren”, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“De raadsman heeft aangevoerd dat de samenkomst op de Passeerdersgracht op 5 juli 2011 evident het karakter van een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties had. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, gelijk het oordeel van de kantonrechter. (...)

Het hof overweegt hiertoe het volgende. De aanleiding tot de samenkomst op de Passeerdersgracht was de aangekondigde ontruiming van de panden op de nummers 23 en 25. Nadat de politie een brief had gestuurd waarin de ontruiming werd aangekondigd, werd een oproep op het internet geplaatst. Op de website indymedia.nl was te lezen ‘De manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de ME tot inkeer is gekomen’. De organisator van deze samenkomst heeft niet ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis gesteld als bedoeld in artikel 2.32 van de APV Amsterdam 2008. Op de camerabeelden van 5 juli 2011 is vervolgens te zien dat er rookbommen werden gebruikt, dat er voor het pand op de Passeerdersgracht nummers 23 en 25 barricades waren opgeworpen door middel van tafels en stoelen op de rijweg, waardoor de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden werden afgesloten, dat er door verschillende personen luchtbedden waren meegenomen naar de samenkomst en dat enkele personen waren gemaskerd of gehuld in bivakmutsen.

Het hof overweegt dat het meenemen van luchtbedden en het dragen van maskers of bivakmutsen slechts tot doel hebben zich te beschermen – in het geval van een confrontatie met de Mobiele Eenheid (hierna te noemen: ME) – tegen wapenstokken of herkenning. Commissaris van Politie Cornelis van der Noot heeft ter zitting toegelicht dat de samenkomst op de Passeerdersgracht en de barricade van de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden, de ontruiming onmogelijk maakten. Nu tevens rookbommen werden afgestoken, concludeert het hof, alle voornoemde omstandigheden beschouwend, dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM.

De gedragingen van de aanwezigen vallen dan ook onder de werking van artikel 2.2 van de APV Amsterdam 2008.”

 

4.3.1. Art. 2.2 lid 4 APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.”

4.3.2. De toelichting op art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.”

4.3.3. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 20 april 1988, houdende bepalingen betreffende de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en van het recht tot vergadering en betoging (Wet openbare manifestaties), Stb. 1988, 157, houdt onder meer in:

“Onder manifestaties in de zin van het voorstel van Wet openbare manifestaties worden volgens artikel 1, eerste lid, onder a, begrepen: toespraken, voordrachten, bijeenkomsten en optochten ter belijdenis van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen en betogingen. Gemeenschappelijk kenmerk van deze manifestaties is dat zij strekken tot uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband.

Verschillen bestaan er in hoofdzaak naar gelang het doel en onderwerp van de manifestatie. Bij de door artikel 6 Grondwet beschermde manifestaties gaat het om de belijdenis, dat wil zeggen de uiting van godsdienstige, respectievelijk levensbeschouwelijke, gedachten, gevoelens of overtuigingen. Bij vergaderingen staat de gemeenschappelijke beraadslaging, in de vorm van discussie en eventueel besluitvorming, over een bepaald onderwerp voorop. Doorgaans zal dit onderwerp, bij de voor het publiek toegankelijke vergaderingen waar het hier om gaat, van politieke of maatschappelijke aard zijn. Is de vergadering aldus vooral gericht op interne menings- en besluitvorming, bij de betoging gaat het om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied.

Met betrekking tot betogingen zij voorts nog opgemerkt, dat acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bij voorbeeld feitelijke dwang, overheersen, geen betogingen zijn in de hier bedoelde zin. Dat kan bij voorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen, samenscholingen, volksoplopen en dergelijke.” (Kamerstukken II, 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8 en 9)

4.4. Het Hof heeft – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat “de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen”. Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat de samenkomst niet (primair) het karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie de aangekondigde ontruiming door te zetten door middel van de uitoefening van feitelijke dwang. Mede in aanmerking genomen de onder 4.3.3 weergegeven passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet openbare manifestaties, geeft het oordeel van het Hof dat “geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM” en dat “de gedragingen van de aanwezigen [...] dan ook [vallen] onder de werking van artikel 2.2 van de APV Amsterdam 2008” niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt over een ruime interpretatie van het door art. 11 EVRM beschermde recht van vrije vereniging noopt in een geval als het onderhavige niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM strekt art. 11 EVRM immers niet tot bescherming van “a demonstration where the organisers and participants have violent intentions” (vgl. EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08, Schwabe en M.G. tegen Duitsland).

4.5. Het middel faalt.

Verder lezen
Terug naar overzicht