NBSTRAF 2017/185, Hoge Raad 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:645, 1911.16

Inhoudsindicatie

Herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Samenvatting

Ingevolge art. 15g eerste volzin Sr kan de rechter de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling komt in aanmerking indien sprake is van een ernstige schending van zo een voorwaarde. De rechter dient derhalve aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen welke reactie op overtreding van een voorwaarde passend is. Hij is daarbij vrij in de keuze en de waardering van de factoren die voor zijn beslissing van belang zijn. Het oordeel van het Hof dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor toewijzing in aanmerking komt en wel in die zin dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, is niet onbegrijpelijk, terwijl het ook in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen nadere motivering behoefde.

Uitspraak

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel komt op tegen de beslissing omtrent de vordering inzake de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 april 2013 te Hilversum [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij [slachtoffer] op dreigende toon en wijze toegevoegd met luide en driftige stem ‘Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek’ en ‘Ben ik duidelijk’ en ‘Mijn naam niet in de film en als je denkt dat je het toch kan doen dan weet je wat er gebeurt’ en ‘Ik dreig niet’ en ‘Wat zei je daar?’ en ‘Moet ik het nu afmaken! Wil je dat ik het nu doe?’ en ‘Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je vrouw maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit, je weet wat er gaat gebeuren hè’ en ‘Je weet wat er gebeurt hè’ en ‘Als je de politie belt dan zal je het wel weten, ik dreig niet maar ik doe!’ en ‘Niemand die mij tegenhoudt’ en ‘Vuile kankerhond dat je er bent’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.”

3.2.2. Het Hof heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling in voege als hierna te melden.

3.3.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2016 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende aangevoerd:

“20. Uit de wetsgeschiedenis, die heeft geleid tot de huidige regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, blijkt dat de beslissing over de eventuele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling doelbewust in handen van de rechter is gelegd. In dat kader is door de wetgever onder meer vooropgesteld dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om de voorwaardelijke invrijheidstelling slechts gedeeltelijk te herroepen, bijvoorbeeld aan de hand van de zogenoemde proportionaliteitsmaatstaf.

Die maatstaf komt erop neer dat de rechter bij een beoordeling van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die is gebaseerd op schending van de algemene voorwaarde, onder meer de ernst van het gepleegde feit zal moeten betrekken. Voor een automatisme is dus geen plaats. Een amendement dat tot doel had de rechter die vrijheid te ontzeggen en de rechter te dwingen steeds een integrale herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te gelasten bij schending van een voorwaarde, is met grote meerderheid in de Tweede Kamer verworpen.

(...)

21. Die rechterlijke vrijheid en het belang van die proportionaliteitsmaatstaf zijn door het openbaar ministerie onderschreven in de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarin is met zoveel woorden gesteld dat het antwoord op de vraag of gehele dan wel gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet volgen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het strafbare feit bij overtreding van de algemene voorwaarde.

22. In de appelschriftuur is gesteld dat de voorwaardelijke invrijheidstelling niet voor een periode van 90 dagen moet worden herroepen – maar voor een periode van een jaar. Dat zou volgens de officier van justitie meer recht doen aan de ernst van de schending van de algemene voorwaarde.

23. Dat standpunt is – opnieuw – onbegrijpelijk. Het staat haaks op het standpunt dat het openbaar ministerie in de Richtlijn voor strafvordering bedreiging zelf heeft geformuleerd. Ik kan niet inzien waarom een feit dat volgens die richtlijn zou moeten leiden tot een geldboete van 375 euro zo ernstig is dat het bij de beoordeling van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou moeten leiden tot de tenuitvoerlegging van een jaar gevangenisstraf. Dat is volgens mij evident niet proportioneel.

24. Als het openbaar ministerie inderdaad van mening zou zijn geweest dat sprake is van een ernstig feit, dan had het destijds kunnen en moeten optreden. Dan had het bijvoorbeeld de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen vorderen. Dat is niet gebeurd. [verdachte] is voor het incident aan de deur niet eens in verzekering gesteld. Hij is na verhoor direct heengezonden.

(...)

26. Bij die stand van zaken getuigt het van opportunisme om de bedreiging van [slachtoffer] nu ineens als een zo ernstig feit aan te merken dat de voorwaardelijke invrijheidstelling voor maar liefst een jaar zou moeten worden herroepen. Dat opportunisme zou uw gerechtshof niet moeten volgen.”

3.3.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 3 juli 2009 onder parketnummer 23-000306-08 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is in die zaak op 27 januari 2012 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 17 maart 2014 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. Deze vordering strekt tot geheel of gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak onder 2 primair bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is derhalve gegrond, waarna het hof op grond van het bepaalde in artikel 15j, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan.

Het hof overweegt in dit verband dat het voor de effectiviteit van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling van het grootste belang is dat aan het door een veroordeelde overtreden van de aan hem gestelde voorwaarden strenge gevolgen worden verbonden. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal door de rechter, die over de vordering tot herroeping heeft te oordelen, moeten worden bepaald welke reactie op de overtreding van de voorwaarden passend en geboden is. Uitgangspunt is naar het oordeel van het hof dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel dient te worden ondergaan, tenzij de ernst van het delict van het feit dat tot de vordering tot herroeping heeft geleid zulks disproportioneel zou doen zijn of bijzondere omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden zijn op grond waarvan van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake. De veroordeelde is voorwaardelijk in vrijheid gesteld na veroordeling ter zake van onder meer afpersing, mishandeling en een aantal bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het thans bewezenverklaarde feit betreft wederom een (ernstige) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Bovendien is de veroordeelde in het verleden reeds eerder wegens ernstige feiten (afpersing in vereniging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) tot een langjarige gevangenisstraf veroordeeld. Het hof ziet alles afwegende derhalve geen reden af te wijken van genoemd uitgangspunt dat als reactie op overtreding van de bij voorwaardelijke invrijheidstelling gestelde voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit de volledige herroeping van die voorwaardelijke invrijheidstelling dient te volgen.

(...)

Het hof:

(...)

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2009 onder parketnummer 23-000306-08 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, groot 1.095 (duizend vijfennegentig) dagen, alsnog geheel wordt ondergaan.”

 

3.4.1. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

– art. 15 lid 2 Sr:

“De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.”

– art. 15a lid 1 Sr:

“De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (...)”

– art. 15g eerste volzin Sr:

“Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.”

– art. 15i lid 2 eerste volzin Sr:

“Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank.”

– art. 15j lid 1 eerste volzin Sr:

“Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan.”

3.4.2. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2007, 500, houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“Van het grootste belang voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is dat het overtreden van de voorwaarden niet zonder gevolgen blijft. Gebrek hieraan leidde immers tot de zo bekritiseerde regeling van vervroegde invrijheidstelling. Het uitgangspunt is derhalve dat steeds een reactie volgt op iedere overtreding van de voorwaarden. Afhankelijk van de ernst van de overtreding van de voorwaarden kunnen drie reacties volgen: herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, wijziging van de bijzondere voorwaarden of een waarschuwing indien er sprake is van een zeer geringe schending van de voorwaarden.

(...)

Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is aan de orde indien er sprake is van een ernstige schending van een aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal steeds bepaald moeten worden welke reactie op overtreding van de voorwaarden het meest passend is. (...)

De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling brengt mee dat de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf wordt gelast.

(...)

In artikel 15g is neergelegd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen. Dit geeft de rechter de ruimte om op basis van de omstandigheden van het geval een passende reactie te geven op overtreding van aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden.”

(Kamerstukken II 2005-2006, 30 513, nr. 3, p. 14-15, 24)

3.5.1. Ingevolge art. 15g eerste volzin Sr kan de rechter de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Blijkens de wetsgeschiedenis komt herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking indien sprake is van een ernstige schending van zo een voorwaarde. De rechter dient derhalve aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen welke reactie op overtreding van een voorwaarde passend is. Hij is daarbij vrij in de keuze en de waardering van de factoren die voor zijn beslissing van belang zijn.

3.5.2. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het Hof dit een en ander heeft miskend, gaat het uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Aan de hiervoor onder 3.3.2 weergegeven overwegingen van het Hof ligt immers als juiste maatstaf ten grondslag dat de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval moet bepalen welke reactie op overtreding van de aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde passend en geboden is.

3.5.3. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat

– de verdachte op 27 januari 2012 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld na een veroordeling ter zake van onder meer afpersing, mishandeling en een aantal bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

– het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit is begaan terwijl voormelde proeftijd nog niet was verstreken en het wederom een (ernstige) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht betreft en

– de verdachte reeds eerder wegens ernstige feiten (afpersing in vereniging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) tot een langjarige gevangenisstraf is veroordeeld.

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor toewijzing in aanmerking komt en wel in die zin dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, is niet onbegrijpelijk, terwijl het ook in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen nadere motivering behoefde.

3.6. Het middel faalt.

Terug naar overzicht