NBSTRAF 2017/191, Hoge Raad 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:666, 4162.15

Inhoudsindicatie

Strafoplegging, Motivering, Vrijheidsbenemende straf

Samenvatting

De Hoge Raad stelt vast dat ’s Hofs overweging in strijd met art. 359 lid 6 Sv geen opgave bevat van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359 lid 8 Sv tot nietigheid. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:258, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd: “De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van voorarrest. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de straf die in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat voor de gedupeerden schade en hinder veroorzaakt. In het nadeel van de verdachte slaat het hof acht op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2015 waaruit blijkt dat hij eerder voor diefstal onherroepelijk is veroordeeld. Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden.”

 

2.3. Deze overweging bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202).

2.4. Het middel is terecht voorgesteld.

Verder lezen
Terug naar overzicht