NBSTRAF 2017/197, Hoge Raad 18-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:701, 4319.15

Inhoudsindicatie

Noodweer, Onttrekkingsvereiste

Samenvatting

Nachtelijke schietpartij op parkeerterrein bij partycentrum, waarbij verdachte en het slachtoffer schoten lossen en het slachtoffer komt te overlijden. De Hoge Raad oordeelt – gelet op de vaststellingen van het Hof en in aanmerking genomen hetgeen is gesteld in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 (NbSr 2016/106, m.nt. J.S. Nan) – dat het oordeel van het Hof dat “voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer te onttrekken” en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is. Middel faalt. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:271, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 5 september 2010 te Zoetermeer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

(...)

2.4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft – voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd – een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum ‘A’ te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd ten gevolge waarvan slachtoffer Z is overleden. Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij betrokkene X, betrokkene Y, het latere slachtoffer Z en de verdachte waren betrokken. Z en Y keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. Z was die avond heel boos en agressief en liep bovendien met een vuurwapen te zwaaien. Na deze ruzie is de verdachte, samen met X, naar zijn auto gelopen. Hierna is de verdachte teruggelopen en heeft hij bij de auto van betrokkene W gestaan. Vervolgens is Z in de richting van de verdachte gelopen. Z ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had nog steeds een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel Z als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij Z dodelijk is geraakt. Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding. Het hof is van oordeel dat het onttrekkingsvereiste in de onderhavige zaak aan de verdachte kan worden tegengeworpen. Hoewel ook het hof er van uitgaat dat Z op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om nadat het eerdere conflict met Z was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van Z te onttrekken. Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar ’s hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd. De verdachte en X hebben een confrontatie gehad met Y en een agressief schreeuwende Z. De agressie van Z was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. Daarna had de verdachte, gelet op de toestand van Z, zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren. Het hof gaat er daarbij – anders dan de verdediging heeft betoogd – op grond van de verklaringen van de drie getuigen van uit dat de verdachte tijdens het eerste conflict buiten heeft gezien dat Z een vuurwapen bij zich had. Dat de verdachte het wapen pas heeft gezien ten tijde van de tweede confrontatie buiten, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig.

Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen tevens van uit dat de verdachte vervolgens – na de eerste confrontatie met Z en aldus na het zien van het vuurwapen van Z – naar zijn auto is gelopen om zijn eigen vuurwapen te halen. Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte al eerder, ten tijde van het feest en de daaropvolgende eerste confrontatie met Z buiten, in het bezit was van een vuurwapen. Uit de verklaringen van de bewakers van het partycentrum blijkt immers dat sprake was van een strenge ingangscontrole, waar de bezoekers door een metaaldetector moesten, hun tassen moesten open maken om te worden gecontroleerd, hun zakken moesten leegmaken en zij bovendien werden gefouilleerd. Hetgeen na afloop van het feest buiten is gebeurd besloeg slechts een kort tijdsbestek en vervolgens is de verdachte één keer heen en weer gelopen naar de auto. Het dossier biedt geen enkel alternatief scenario dan dat de verdachte op dat moment het wapen uit zijn auto heeft gepakt. Dit alles leidt tot de slotsom dat de verdachte niet alleen niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te vertrekken, hoewel hij die gelegenheid wel had toen hij zich bij zijn auto bevond, maar bovendien zichzelf heeft bewapend alvorens in het bezit van een vuurwapen terug te lopen in de richting van waar Z zich bevond, wetende dat Z het die avond op hem gemunt had, agressief was en een vuurwapen bij zich droeg. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt. Het verweer wordt verworpen.”

2.5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 omtrent de in art. 41 Sr omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer onder meer het volgende overwogen:

“Geboden door de noodzakelijke verdediging

(...)

Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste

3.5.2. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon – hier van belang zijn.”

2.6. Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat:

(i) buiten een partycentrum waar een feest had plaatsgevonden, een ruzie was tussen onder meer de verdachte en Z waarbij Z zich heel boos en agressief gedroeg jegens de verdachte en stond te zwaaien met een vuurwapen;

(ii) Z tijdens die ruzie tegen de verdachte heeft geschreeuwd “Ik ben niet bang. Ik ben helemaal klaar met jullie. Doe wat jullie willen doen. Ik ben helemaal voorbereid” en “Laat zien dat je stoer bent. Nu moet je laten zien dat je stoer bent” en heeft gezegd dat hij niet bang was om dood te gaan;

(iii) de verdachte wist dat de agressie van Z alleen tegen hem was gericht en dat hij heeft gezien dat Z een vuurwapen bij zich had;

(iv) de verdachte vervolgens naar zijn auto is gegaan, de gelegenheid had om te vertrekken maar in plaats daarvan een wapen heeft gepakt en is teruggelopen in de richting van Z waarna door zowel Z als de verdachte is geschoten.

Gelet op deze vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.5 is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het Hof dat “voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met Z was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van Z te onttrekken” en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig zodat de overige tegen die verwerping gerichte klachten geen bespreking behoeven.

2.7. Het middel faalt.

Verder lezen
Terug naar overzicht