NBSTRAF 2017/198, Hoge Raad 18-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:719, 5952.15

Inhoudsindicatie

Medeplegen

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld wegens het medeplegen van het houden van een hennepkwekerij. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsvoering van het Hof onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennep. Ten aanzien van verdachtes rol daarbij kan uit de bewijsvoering niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte is ingegaan op het voorstel van de medeverdachte om – in ruil voor een deel van de winst – de door hem gehuurde woning ter beschikking te stellen voor de inrichting van een hennepkwekerij. (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 (NbSr 2015/47, m.nt. J. Anker), HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, (NbSr 2015/101, m.nt. J. Nan) en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, (NbSr 2016/195, m.nt. G.P.M.F. Mols). Samenhang met ECLI:NL:HR:2017:720. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:295, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 25 mei 2011 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 394 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 november 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was huurder van de woning. Ik gebruikte destijds medicijnen. Ik kwam betrokkene X tegen. Hij kon mijn geldproblemen oplossen. Ik wist van de kwekerij in mijn woning. Ik zou bij de tweede oogst geld krijgen. Ik betaalde de huur van de woning.

2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 15 januari 2013 gevoegde, in de wettelijke vorm door verbalisant V, hoofdagent van politie, Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal van 15 juni 2011 (dossierpagina 15 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: In jouw woning is een hennepkwekerij aangetroffen wat kun jij erover zeggen?

A: Een jongen stelde voor om een hennepkwekerij te beginnen. Hij overtuigde mij om een hennepkwekerij te beginnen.

V: Hoe heet die jongen?

A: Ik noem hem X. Het is een Bulgaarse jongen. Ik heb voor u een kopie van zijn ID-kaart.

V: Kun jij omschrijven hoe die kwekerij eruitzag?

A: Wat ik weet is dat het boven was.

A: Ik ben wel boven geweest. Ik heb buizen gezien.

V: Hoe is de elektriciteit aangelegd?

A: Ik heb gezien dat er vanaf de kast een kabel naar boven ging.

A: Ik ben één of twee keer in de woning geweest.

V: Wat zou jij eraan verdienen?

A: Weet ik niet. Hij zou dat berekenen. Hij zei tegen mij dat hij voor een deel mijn problemen zou kunnen oplossen.

V: Heb je enig idee wat een kwekerij zou kunnen opbrengen?

A: Er was afgesproken dat de kwekerij werd opgebouwd en dat de onkosten van de winst werden afgetrokken en dat wat overbleef zouden X en ik delen.

3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 15 januari 2013 gevoegde, in de wettelijke vorm door (...), respectievelijk hoofdagent en aspirant van politie, Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal van 31 mei 2011 (dossierpagina 41 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 25 mei 2011 hebben wij, verbalisanten, de woning aan de [a-straat 1] betreden. Wij, verbalisanten, zijn de trap naar boven op gelopen en zagen op de eerste verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij.

4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 15 januari 2013 gevoegde, in de wettelijke vorm door verbalisant V, hoofdagent van politie, Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal van 30 mei 2011 (dossierpagina 46 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Door mij, verbalisant, werden op 25 mei 2011 in de woning van perceel [a-straat] op de bovenetage drie ruimtes aangetroffen die kennelijk waren ingericht voor het telen van hennep. De gehele bovenetage deed dienst als hennepkwekerij. Op het moment van ontdekken stonden in de drie kweekruimtes 394 hennepplanten. Door mij, verbalisant, is door middel van een MMC-cannabistest een gedeelte van de in beslag genomen hennepplanten getest. De test MMC verkleurde positief en gaf aan dat het plantenmateriaal hennep betrof.

5. Een als bijlage bij het stamproces-verbaal van 15 januari 2013 gevoegde, door het hof als schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, te bezigen huurovereenkomst zelfstandige woonruimte (dossierpagina 60 e.v.) voor zover inhoudende:

[verdachte], geboren [geboortedatum] 1963, huurder (...) Verhuurder verhuurt aan huurder die in huur aanneemt de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Arnhem (...) De huurovereenkomst is met ingang van 1 september 2006 aangegaan voor onbepaalde tijd.”

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen: “Verdachte heeft verklaard dat hij schulden had en dat hij daarom het voorstel van X om in zijn (verdachtes) woning een hennepkwekerij op te zetten, heeft geaccepteerd. Verdachte en zijn mededader hebben voorts afspraken gemaakt over het verdelen van de winst. Gelet op dit gezamenlijk maken van plannen voor het opzetten van een hennepkwekerij, het gegeven dat verdachte zijn woning ter beschikking stelde voor het inrichten van die hennepkwekerij en het vooraf maken van afspraken over de verdeling van de winst, is het hof van oordeel dat er in casu sprake was van medeplegen van het telen van hennep.”

2.3. In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

 

2.4. De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennep. Ten aanzien van verdachtes rol daarbij kan uit de bewijsvoering niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte is ingegaan op het voorstel van de medeverdachte om – in ruil voor een deel van de winst – de door hem gehuurde woning ter beschikking te stellen voor de inrichting van een hennepkwekerij.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

Terug naar overzicht