NBSTRAF 2017/200, Hoge Raad 09-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:828, 2975.15

Inhoudsindicatie

Wederspannigheid

Samenvatting

Uit de voor het bewijs gebezigde gedeelten van de processen-verbaal van de buitengewone opsporingsambtenaren kan niet volgen dat de rechtmatige uitoefening van de bediening bestond uit het aanhouden van de verdachte “op verdenking van het overtreden van art. 73 van de Wet Personenvervoer 2000 op heterdaad ontdekt”, nu niet blijkt dat er een aanwijzing is gegeven in de zin van deze bepaling. De bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan daarom niet zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en is dus ontoereikend gemotiveerd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat de opsporingsambtenaren “werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening” waren, ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 4 juni 2011 te Rotterdam toen de aldaar dienstdoende in uniform geklede Richard van Noord en Henk de Steur en Greetje Opdam en Mahmed Gumuz, allen buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het vervoersbedrijf RET NV, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 73 van de Wet Personenvervoer 2000 op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld als die waarin die opsporingsambtena(a)r(en) hem, verdachte, voerde (n) en wilde(n) voeren en met die opsporingsambtena(a)r(en) heeft gevochten, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaren Richard van Noord en Henk de Steur enig lichamelijk letsel (te weten Richard van Noord een gebroken handwortelbeentje en Henk de Steur een gekneusde hand en een bijtwond aan de rechteronderarm bekwamen.”

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juni 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL1700 2011168362-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als de op 13 juni 2011 afgelegde verklaring van Richard van Noord:

Ik ben werkzaam als controleur openbaar vervoer bij RET. Op zaterdag 4 juni 2011 ben ik tijdens een controle betrokken geraakt bij een incident, waarbij een verdachte is aangehouden en overgebracht naar het politiebureau. Die avond hadden wij een controle op de tramhalte Molenvliet in Rotterdam-Lombardijen. De verdachte beledigde ons en verzette zich tijdens zijn aanhouding.

Ik heb tijdens het incident een middenhandsbeentje in mijn linkerhand gebroken. Gedurende het verzet van de verdachte hield ik de rechterarm van de man vast. Dit in een poging om de verdachte onder controle te brengen. Tijdens het onder controle brengen ben ik ook nog gevallen, samen met de verdachte. Mijn opgezwollen hand was het gevolg van het verzet van de verdachte.

2. Een geschrift, zijnde een FARR-verklaring d.d. 4 juli 2011, opgemaakt en ondertekend door de arts M. Mulders Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van deze arts:

Medische informatie/Letselbeschrijving Richard van Noord, geboortedatum 12 maart 1970.

Objectieve bevindingen: Röntgenonderzoek liet breuk in buitenste handwortelbeentje in de linkerhand zien.

Bijkomende gegevens: Er werd een gipsverband aangemeten.

Genezingsduur: Tenminste 6 weken.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL1700 2011187698-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als de op 23 juni 2011 afgelegde verklaring van Henk de Steur:

Ik ben werkzaam als controleur openbaar vervoer bij RET. Op zaterdag 4 juni 2011 ben ik tijdens een controle betrokken geraakt bij een incident, waarbij een verdachte is aangehouden en overgebracht naar het politiebureau. Die avond hadden wij een controle op de tramhalte Molenvliet in Rotterdam-Lombardijen. De verdachte beledigde ons en verzette zich tijdens zijn aanhouding.

Ik heb door het incident een pijnlijke linkerhand en rechteronderarm opgelopen. Mijn linkerhand is tijdens dit incident gekneusd.

Gedurende het verzet van de verdachte hield ik de linkerarm van de man vast. Dit in een poging om de verdachte onder controle te brengen. Mijn opgezwollen linkerhand en.de pijn aan mijn rechteronderarm waren het gevolg van het verzet van de verdachte.

Op politiebureau Zuidplein is mijn linkerhand en mijn rechteronderarm gezien door een politiearts. Deze stelde vast dat mijn linkerhand gekneusd was en dat de verwonding aan mijn rechteronderarm een bijtwond was.

4. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL1700 2011187694-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als de op 23 juni 2011 afgelegde verklaring van Greetje Opdam:

Ik ben werkzaam als controleur openbaar vervoer bij RET. Op zaterdag 4 juni 2011 ben ik tijdens een controle betrokken geraakt bij een incident, waarbij een verdachte is aangehouden en overgebracht naar het politiebureau. Die avond hadden wij een controle op de tramhalte Molenvliet in Rotterdam-Lombardijen. De verdachte beledigde ons en verzette zich tijdens zijn aanhouding. Hierbij heb ik een pijnlijke schouder opgelopen. De verdachte duwde mij vol in mijn rug, waardoor ik met mijn linkerschouder tegen een vasthoudstang van de tram botste. Toen de verdachte uiteindelijk is afgevoerd, merkte ik dat ik veel pijn in mijn schouder had.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2011 van RET NV met nr. KJ4826-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van de betreffende (buitengewoon) opsporingsambtenaar Mahmed Gumuz:

Ik hoorde dat verdachte ineens verbaal agressief reageerde richting mij met de woorden: ‘jij bent een kanker Marokkaan’ en ‘jij bent een grote lul’.

Ik zag dat verdachte ook in deze tram stapte en doorliep naar achteren. Ik stond achterin en zag dat verdachte collega Greetje Opdam opzettelijk en met kracht een duw gaf in zijn rug.

Ik voelde dat verdachte zich ging verzetten. Ik voelden namelijk dat verdachte zich los wilde trekken door met zijn armen hevig te gaan bewegen. Ik voelde dat ik verdachte niet onder controle kon houden en heb toen hulp gekregen van mijn collega’s.

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2011 van RET NV met nr. KJ4826-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van de betreffende (buitengewoon) opsporingsambtenaar Henk de Steur:

Ik zag dat mijn collega Mahmed Gumuz verdachte opnieuw vastpakte. Ik zag dat verdachte zich losrukte en ging staan. Ik heb hierop verdachte ook vastgepakt. Ik voelde dat verdachte zich hevig verzette. Dit deed verdachte door zich los te rukken en om zich heen te slaan, kennelijk met de bedoeling mij en mijn collega’s opzettelijk te raken en een poging om zich te onttrekken aan zijn aanhouding.

Tijdens de worsteling met verdachte voelde ik een hevige pijn in mijn linkerhand en linker onderarm. Verdachte heeft mij enkele keren opzettelijk geraakt door het verzet wat hij op dat moment pleegde. Ik voelde onder andere de nagels van verdachte in mijn linkeronderarm en heb deze tijdens het verzet ook terug getrokken.

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2011 van RET NV met nr. KJ4826-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van de betreffende (buitengewoon) opsporingsambtenaar Piet Steuns:

Ik zag dat verdachte naar de achterkant van de tram liep. Ik zag dat verdachte naar mijn collega Greetje Opdam, die aan het controleren was, toeliep. Ik zag dat verdachte vol tegen de achterkant van Greetje Opdam aan liep. Ik zag dat verdachte dit opzettelijk en met meer dan geringe kracht deed. Ik zag dat Greetje Opdam door deze handeling van verdachte tegen een paal aanviel.

Ik zag dat collega Richard van Noord, die zich ook in de tram bevond, verdachte probeerde vast te pakken. Ik zag dat verdachte zich hiertegen verzette. Ik zag dat hij zich verzette door wild om zich heen te slaan.

Ik zag dat Mahmed Gumuz verdachte vastpakte. Ik zag dat verdachte zich ging verzetten door zich los te willen rukken en een andere richting op wilde gaan dan dat collega Mahmed Gumuz wilde hebben. Ik zag dat collega Richard van Noord verdachte nu ook vastpakte. Ik zag ook dat collega Henk de Steur verdachte probeerde vast te pakken. Ik zag dat verdachte zich meer ging verzetten.”

2.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2015 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Voor wat er daarna is gebeurd, lopen de lezingen uiteen. Wat opvalt in het dossier is dat de aangiften van de RET-medewerkers grotendeels letterlijk dezelfde tekst weergeven. Deze tekst is dus niet uit het verhoor van ieder van de aangevers afzonderlijk afkomstig; er is een format voor gebruikt. Dit moet al grote vraagtekens plaatsen bij het gehalte van de waarheidsvinding in deze zaak. Verder is het belangrijkste objectieve bewijs, de camerabeelden van in de tram, opmerkelijk genoeg ‘gecrasht’ op de harde schijf. De beelden, om welke verdachte vanaf zijn aanhouding heeft gevraagd, zijn dus voor niemand meer te zien en te beoordelen. Daarover zijn verschillende p-v’s opgemaakt, laatstelijk een aanvullend p-v op verzoek van het Hof. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het feit dat de beelden niet tot bewijs van de waarheid kunnen dienen, er toe moet leiden dat de lezing van cliënt geloofwaardig is: de RET-medewerkers hebben niet rechtmatig opgetreden, zijn hun bevoegdheden te buiten gegaan en hebben zelf buiten proportioneel geweld jegens cliënt gepleegd.

(...)

De conclusie voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde moet volgens de verdediging zijn dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Niet kan overtuigend worden bewezen dat hij art. 73 van de Wet personenvervoer heeft overtreden omdat niet kan komen vast te staan in welke volgorde de escalatie van de feiten heeft plaatsgevonden. Hierdoor is niet vast te stellen of aan hem duidelijk is gevorderd de tram te verlaten en of hem daartoe ook de gelegenheid is gegeven om dat zelf te doen. Overtuigender lezing is dat men direct aan hem is gaan trekken en met de handboeien klaar stond, dit is in elk geval niet uit te sluiten. Het ontbreken van het belangrijkste bewijsmiddel namelijk de beelden, moet in het voordeel van de lezing van de verdediging uitvallen.”

2.2.4. Het Hof heeft hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd als volgt samengevat en verworpen:

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat er geen camerabeelden voorhanden zijn die tot bewijs van de waarheid kunnen dienen, ertoe dient te leiden dat de lezing van de verdachte geloofwaardig moet worden geacht, zodat hij dient te worden vrij gesproken. Het hof is van oordeel dat dit standpunt geen steun vindt in het recht.”

 

2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

– art. 180 Sr:

“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

– art. 73 Wet personenvervoer 2000:

“Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen die door of vanwege de vervoerder duidelijk kenbaar zijn gemaakt.”

– art. 101 Wet personenvervoer 2000 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

“1. Niet naleving van de artikelen 70 tot en met 73, Alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten – het bepaalde krachtens de artikelen 74, tweede lid, en 104, aanhef en onderdelen a en b, is een overtreding en wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

2. Indien de reiziger ten aanzien van wie door een ambtenaar of persoon, bedoeld in de artikelen 87 en 89, is vastgesteld dat hij in strijd handelt met de artikelen 70 of 71, niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 92, worden de in het eerste lid bedoelde straffen verhoogd tot een hechtenis van ten hoogste vier maanden, onderscheidenlijk een geldboete van de derde categorie.”

2.4. De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde kan niet zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. In het bijzonder kan uit de voor het bewijs gebezigde gedeelten van de processen-verbaal van de buitengewone opsporingsambtenaren niet volgen dat de rechtmatige uitoefening van de bediening bestond uit het aanhouden van de verdachte “op verdenking van het overtreden van art. 73 van de Wet Personenvervoer 2000 op heterdaad ontdekt”, nu niet blijkt dat er een aanwijzing is gegeven in de zin van deze bepaling. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

Terug naar overzicht