NBSTRAF 2017/204, Hoge Raad 09-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:826, 5148.15

Inhoudsindicatie

Aanhoudingsverzoek, Aanwezigheidsrecht

Samenvatting

Het Hof heeft een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang van de gevraagde aanhouding van de behandeling en het daaraan ten grondslag liggende belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van haar aanwezigheidsrecht, en anderzijds het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en van een goede organisatie van de rechtspleging. Mede gelet op hetgeen na de eerdere aanhouding van de behandeling van de zaak aan het hernieuwde verzoek om aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van dit verzoek dragen.

Uitspraak

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2015 gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2015 vermeldt dat de betrokkene aldaar niet is verschenen en houdt voorts het volgende in:

“Ter terechtzitting is aanwezig mr. S. Spans, advocaat te Utrecht, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

De niet gemachtigde raadsman wordt in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken met betrekking tot de niet-aanwezigheid van verdachte. De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik verzoek om aanhouding. Door mij is een beroepsfout begaan door niet eerst af te stemmen met cliënte of zij op de zittingsdatum in Nederland zou zijn. Ik dacht dat ze eenmalig in het buitenland was. Ik heb onvoldoende inzicht gehad in haar werkzaamheden. Ze werkt bij [A], waar een grote fraude is ontstaan. Mijn cliënte is betrokken bij het onderzoek daarnaar. Ik realiseerde mij niet dat zij gedurende het hele jaar periodes in het buitenland verblijft. Ik had dit eerst met haar moeten overleggen. Ze wil hoe dan ook bij de zitting aanwezig zijn. Ik heb per e-mail met haar besproken of ze mij kon machtigen, maar ze heeft aangegeven dat ze absoluut zelf bij de zitting aanwezig wilde zijn. Ik heb ook een e-mail van de echtgenoot.

De raadsman overlegt een e-mail bericht van de echtgenoot van verdachte.

De advocaat-generaal voert, zakelijk weergegeven, als volgt het woord:

Ik verzet mij tegen aanhouding. Het gaat hier om een verdachte met een strafblad. De zaak is al vaker aangehouden, om allerlei redenen. Volgens de reclassering is verdachte een zorgwekkende zorgmijder. Er kan geen aanhouding meer plaatsvinden. Ik zie geen stukken met betrekking tot de baan van verdachte.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Gelet op de baan die zij stelt te hebben, die kennelijk inhoudt dat ze veel in het buitenland moet verblijven, had het op de weg van verdachte gelegen om op voorhand aan haar raadsman de haar bekende data waarop zij wel en niet kan, op te geven. Voorts had het eveneens op de weg van raadsman gelegen om bij zijn cliënte te verifiëren of zij op de geplande zittingsdatum al dan niet in het buitenland zou zijn. Daarnaast heeft het hof meegewogen het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en voortvarende berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. In dit verband is van belang dat de zaak al een keer eerder is aangehouden omdat verdachte in het buitenland verbleef.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

 

2.3. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD1314, NJ 1999/294).

2.4. Het Hof heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen en daartoe overwogen dat het op de weg van de verdachte had gelegen om op voorhand haar raadsman te informeren over de data waarop zij niet ter terechtzitting zou kunnen verschijnen, dat het op de weg van de raadsman had gelegen om bij de verdachte te informeren of zij al dan niet was verhinderd op de geplande zittingsdatum, en dat de samenleving belang heeft bij een doeltreffende en voortvarende berechting en een goede organisatie van de rechtspleging, in welk verband het Hof van belang achtte dat de zaak al eerder was aangehouden omdat de verdachte in het buitenland verbleef. Daarin ligt besloten dat het Hof een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van de gevraagde aanhouding van de behandeling en het daaraan ten grondslag liggende belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van haar aanwezigheidsrecht, en anderzijds het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en van een goede organisatie van de rechtspleging. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof een dergelijke belangenafweging niet heeft gemaakt, kan het niet tot cassatie leiden.

2.5. Voor zover het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof, faalt het. Mede gelet op hetgeen na de eerdere aanhouding van de behandeling van de zaak aan het hernieuwde verzoek om aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van dit verzoek dragen.

Terug naar overzicht