NBSTRAF 2017/207, Hoge Raad 09-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:839, 4802.16 W

Inhoudsindicatie

Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnis

Samenvatting

Het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verscherpt als bedoeld in art. 44 lid 2 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging. Dat betekent dat de rechter, indien een dergelijk verweer is gevoerd, ervan blijk moet geven te hebben onderzocht of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft. De Rechtbank heeft blijk gegeven de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling te hebben onderzocht. In de bestreden uitspraak ligt als haar oordeel besloten dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf niet in een nadeliger positie is komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft. Gelet op hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat door of namens de veroordeelde aangaande die waarschijnlijkheid een verweer is gevoerd, is het dienaangaande in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, nu niet blijkt dat de Rechtbank heeft onderzocht of de strafrechtelijke positie van de veroordeelde is verzwaard door het opleggen van een gevangenisstraf van 51 maanden, gelet op de voorwaardelijke invrijheidstelling die in België zeker of met een grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn gevolgd.

2.2.1. De Rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 14 oktober 2011, houdende de veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 jaren, toelaatbaar verklaard en aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 51 maanden opgelegd.

2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 augustus 2016 heeft de officier van justitie aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van haar, aan het proces-verbaal gehechte toelichting. Die toelichting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Vervroegde invrijheidstelling

Bij het bepalen van de strafeis dient het Openbaar Ministerie tevens rekening te houden met de vervroegde invrijheidstelling, welke voor veroordeelde gegolden zou hebben wanneer hij in België zijn straf zou hebben uitgezeten.

Het gerechtshof in Arnhem heeft op 15 januari jl., in een eerder aangehaalde beslissing, hierover het volgende overwogen:

Bij gebreke van stukken waaruit het tegendeel blijkt, gaat het hof er voorts van uit dat niet aannemelijk is dat veroordeelde bij voortzetting van de tenuitvoerlegging in België op een eerder tijdstip dan na ommekomst van twee derde deel van de strafduur voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Het hof neemt hierbij in aanmerking de informatie die het hof in andere zaken heeft ontvangen van het ministerie van Veiligheid en Justitie over de regelgeving en praktijk van de bepaling van het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidsstelling in België.

Dit wordt overigens ook bevestigd door informatie welke het Openbaar Ministerie heeft verkregen over de VI-regeling in België. Een zogenaamde strafuitvoeringsrechtbank toetst of betrokkene in aanmerking komt voor VI. Het is evident dat in bepaalde gevallen gezegd kan worden dat de VI niet zal worden verleend, te weten in geval van recidive of indien het feit gepleegd is in vereniging. Indien deze omstandigheden zich voordoen geldt VI altijd pas na 2/3e van de opgelegde straf is ondergaan.

Overigens is ons niet gebleken dat veroordeelde gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een procedure te starten bij de strafuitvoeringsrechtbank.”

2.2.3. De bestreden uitspraak houdt aangaande voormelde strafoplegging door de Rechtbank het volgende in:

“De officier van justitie heeft ter openbare zitting geconcludeerd dat de door de Belgische autoriteiten opgelegde gevangenisstraf passend en geboden is. Om die reden heeft de officier van justitie eveneens een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren gevorderd. (...)

Bij de omzetting van de in België aan de veroordeelde opgelegde straf neemt de rechtbank – met inachtneming van artikel 31, eerste lid, van de WOTS wat betreft de door haar bij die omzetting te hanteren maatstaven – in aanmerking dat de aan de veroordeelde in België opgelegde straf niet exceptioneel hoog is in vergelijking met straffen die in soortgelijke drugszaken in Nederland worden opgelegd. Bovendien komt de hoogte van de straf overeen met de in Nederland geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Bij de bepaling van de duur van die straf wordt echter ook meegewogen dat de door de raadsman geschetste – en door de officier van justitie onvoldoende weersproken – detentieomstandigheden in Peru de rechtbank gruwelijk voorkomen en in een schril contrast staan tot de Nederlandse detentieomstandigheden. De uitleveringsdetentie in Peru moet de veroordeelde dus veel zwaarder zijn gevallen dan als hij in Nederland in detentie had gezeten.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de veroordeelde blijkens het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 4 augustus 2016 eerder voor soortgelijke strafbare feiten – hoewel meer dan 5 jaar geleden – is veroordeeld.

Ten slotte gaat de rechtbank, evenals de officier van justitie, ervan uit dat de veroordeelde in België eerst na ommekomst van twee derde deel van de hem opgelegde gevangenisstraf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou komen.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande en het tijdsverloop dat met deze procedure gemoeid is geweest, een gevangenisstraf voor hierna te melden duur passend en geboden.

De rechtbank heeft de duur van de gevangenisstraf als volgt bepaald.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren (= 84 maanden) wordt in beginsel, gelet op de ernst van de strafbare feiten, passend en geboden acht.

De veroordeelde heeft van 15 mei 2012 tot en met 16 februari 2013, derhalve 9 maanden en 7 dagen, in Peru in uitleveringsdetentie doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoemde duur van de uitleveringsdetentie, gelet op de zwaarte daarvan, naar Nederlandse maatstaven gelijk aan 27 maanden gevangenisstraf.

Voorts wordt vanwege het tijdsverloop in deze zaak 6 maanden gevangenisstraf in mindering gebracht.

Gelet op het vorenstaande, zal aan de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden (84 – 27 – 6) worden opgelegd.”

 

2.3. De navolgende bepalingen zijn van belang:

– art. 44 leden 1 en 2 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIG), luidt, in de Nederlandse vertaling:

“1. Indien het verzoek om tenuitvoerlegging is aanvaard, vervangt de rechter de in de verzoekende Staat opgelegde sanctie welke vrijheidsbeneming meebrengt door een sanctie die voor hetzelfde feit is voorzien in zijn eigen wet. Die sanctie kan, binnen de in het tweede lid aangegeven grenzen, van een andere aard en duur zijn dan de in de verzoekende Staat opgelegde sanctie. Indien deze laatste sanctie beneden het minimum blijft dat krachtens de wet van de aangezochte Staat mag worden opgelegd, is de rechter niet gebonden aan dat minimum en legt hij een sanctie op die overeenkomt met de sanctie die was opgelegd in de verzoekende Staat.

2. Bij het vaststellen van de sanctie mag de rechter de strafrechtelijke bejegening van de veroordeelde, waartoe de in de verzoekende Staat genomen beslissing leidt, niet verscherpen.”

– art. 31 lid 1 WOTS luidt:

“De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. Artikelen 353 en 357 van het Wetboek van strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”

2.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verscherpt als bedoeld in art. 44 lid 2 EVIG zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is – alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is – dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging. Meer concreet betekent dit dat de rechter, indien een dergelijk verweer is gevoerd, ervan blijk moet geven te hebben onderzocht – zonodig onder het doen inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat – of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft (HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:770, NJ 2016/37).

2.5. Overwegende zoals hiervoor onder 2.2.3 weergegeven, heeft de Rechtbank blijk gegeven de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling te hebben onderzocht. In de bestreden uitspraak ligt als haar oordeel besloten dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf niet in een nadeliger positie is komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft. Gelet op hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat door of namens de veroordeelde aangaande die waarschijnlijkheid een verweer is gevoerd, is het dienaangaande in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2.6. Het middel faalt.

Terug naar overzicht