NBSTRAF 2017/215, Hoge Raad 16-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:884, 2154/16

Inhoudsindicatie

Mensenhandel, Uitbuiting, Aanwerven, Medenemen

Samenvatting

Mensenhandel-zaak. Hoge Raad stelt, met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:857, dat “uitbuiting” als bedoeld in art. 273f lid 1 Sr moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f lid 1 onder 3 Sr. Het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen “aanwerven” en “medenemen” zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, geeft naar mening van de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:338, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het sub 3 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Het voert daartoe onder meer aan dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen “aanwerven” en “medenemen” zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard, dat:

“hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 20 februari 2010 te Groningen, en/of elders in Nederland en in Bulgarije

sub 1. – een vrouw, X, door een of meer feitelijkheden, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd en overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van X,

en

sub 3. – X heeft aangeworven en meegenomen met het oogmerk die vrouw in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling.

en

sub 4. – X met de onder sub 1 genoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten

en

sub 6. – opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van X

en

sub 9. – X met de onder sub 1 genoemde middelen heeft bewogen hem verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van X met een derde, immers heeft verdachte,

– tegen X gezegd dat ze in Nederland in de prostitutie zou werken en of ze wel besefte in wat voor problemen zij zich bevond en

– een oppas voor het kind van X gezocht en hiermee een afspraak gemaakt en de kosten voor de oppas betaald en een contract laten opstellen door een advocaat waarin was geregeld dat het kind van X aan een oppas zou worden toevertrouwd en heeft verdachte deze kosten betaald en

– een paspoort en een vliegticket voor X geregeld en betaald en

– X in het vliegtuig meegenomen naar Nederland en

– tegen X gezegd dat ze pas haar mening mag uiten als ze geld gaat verdienen en hierbij X stevig bij de kaak gepakt en tegen X gezegd dat hij haar neus zou afbijten en

– een kamer voor X geregeld waar zij zich kon prostitueren en

– kleding voor X uitgezocht die ze moest dragen als ze zich prostitueerde en deze kleding betaald en

– condooms voor X gekocht en

– regels voor X opgesteld inhoudende dat ze moest staan in de vitrine waar ze zich prostitueerde en vrolijk kijken en niet met andere meisjes mocht praten en hoeveel ze moest vragen per klant en dat ze kort moest douchen en

– X aan de haren getrokken en/of geduwd en/of uitgescholden

– tegen X gezegd dat ze ondanks een bloeding toch moest werken en gebruikte sponsjes moest gebruiken en

– in aanwezigheid van X een mes met de punt in de vloerbedekking gegooid en

– X lange werkdagen laten maken (van twaalf uur of meer) en

– telkens al het door X verdiende geld aan hem, verdachte laten afstaan (zulks terwijl de afspraak was dat hij de helft zou krijgen) en

– tegen X gezegd dat ze hem geld schuldig was voor alles wat hij aan haar had uitgegeven en

– telkens X gecontroleerd als zij aan het werk was en moest zij binnen tien seconden de telefoon opnemen en

– zich door X laten pijpen waarbij hij haar hoofd naar zijn penis duwde en

– terwijl X de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerste en onbekend was in Nederland met de Nederlandse regels en wetten en gewoonten en gebruiken en niemand in Nederland kende en aldus bewerkstelligd dat X van hem/hen afhankelijk was.”

(...)

 

2.2.3. Het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt ten aanzien van de bewezenverklaring voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De aangifte wordt (...) met betrekking tot belangrijke feiten ondersteund door de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft in zijn verklaringen de aangifte op belangrijke onderdelen bevestigd, te weten dat hij aangeefster kort voor vertrek naar Groningen in Sliven, Bulgarije heeft ontmoet terwijl zij daar onder zeer moeilijke economische en sociale omstandigheden leefde en trachtte in het levensonderhoud van haar en haar zoontje te voorzien door middel van prostitutie. Verdachte heeft aangeefster op actieve wijze benaderd, is een relatie met haar aangegaan en met haar gaan samenwonen. Kort daarop heeft verdachte zijn voornomen kenbaar gemaakt om met aangeefster naar Nederland te vertrekken zodat zij hier te lande in de prostitutie kon werken. Verdachte heeft informatie ingewonnen over de formele vereisten die voor een prostituee uit Bulgarije nodig zijn om in Nederland te kunnen werken. Verdachte heeft via internet een oppas gezocht en gevonden om het zoontje van X onder te brengen zodat zij in de gelegenheid werd gesteld om in Nederland in de prostitutie te werken. Verdachte heeft de kosten van de oppas betaald en als enige het contact met de oppas onderhouden. Voorts heeft verdachte een paspoort en vliegtickets geregeld en betaald. Verdachte en aangeefster zijn samen naar Nederland gereisd, hetgeen naast de verklaring van aangeefster ook blijkt uit de passagierslijst van de vlucht Sofia-Amsterdam op 19 januari 2010. Verdachte heeft vervolgens in Nederland contact gezocht met betrokkene Y voor bijstand bij het regelen van formaliteiten en het tolken. De aangifte wordt daarnaast ondersteund door de getuigenverklaring van betrokkene Z, de moeder van aangeefster. Z bevestigt de verklaring van aangeefster ten aanzien van de armoedige en moeilijke omstandigheden waarin aangeefster in Bulgarije verkeerde.

(...)

Voorts wordt de aangifte ondersteund door de verklaring van Y. Y heeft verklaard dat zij door verdachte via internet is benaderd om als oppas te fungeren voor het zoontje van aangeefster zolang zij in Nederland zat. Uit haar verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte daarin een initiërende en bepalende rol heeft gespeeld, dat hij de oppas heeft gezocht en benaderd via internet, dat hij de inhoud van de afspraken heeft bepaald en dat hij de oppas heeft betaald en het contact met haar heeft onderhouden. De dwingende rol van verdachte wordt bevestigd door de verklaring van betrokkene Q. Q, die ook werkzaam was in de prostitutie in het raam tegenover het raam in de “Nieuwe Straat” waar aangeefster werkte, heeft bevestigd dat aangeefster een aantal keren een bloeding heeft gehad en dat zij dan doorwerkte. Ook heeft Q waargenomen dat aangeefster voortdurend stond, geen stoel had in de kamer en zelfs bleef staan als er geen klanten waren. Deze verklaring ondersteunt de aangifte op dit onderdeel. Voorts heeft Q gezien dat aangeefster bang was en geen eten had en had zij de indruk dat aangeefster in de gaten gehouden werd.

(...)

tenlastegelegde sub 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte jegens aangeefster gebruik heeft gemaakt van dwangmiddelen. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van feitelijkheden, door voor haar zoontje een oppas te zoeken en te regelen, deze te betalen en met haar contact te onderhouden. Aangeefster had alleen via verdachte contact met de oppas over hoe het met haar kind ging. Verdachte heeft daardoor aangeefster in een afhankelijke positie geplaatst. Verdachte heeft misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Aangeefster kwam immers uit Bulgarije waar zij onder zeer moeilijke omstandigheden leefde. Verdachte was op de hoogte van de moeilijke leefsituatie van aangeefster. Aangeefster beschikte niet over eigen financiële middelen toen zij als prostituee ging werken in een voor haar onbekend land met voor haar onbekende regels en gewoonten, waarbij zij bovendien de taal niet sprak. Daardoor kwam aangeefster in een situatie terecht die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Daarbij moest aangeefster, in strijd met de afspraken, al haar verdiensten aan verdachte afdragen. Voorts heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster, gelet op voornoemde omstandigheden en nu hij in een positie van overwicht verkeerde ten opzichte van aangeefster. Verdachte wist welke personen hij moest benaderen voor informatie over het werken door aangeefster in Nederland. Verdachte was ook degene die over de financiële middelen beschikte om de oppas, het paspoort en de reis te regelen. Bovendien was hij eerder in Nederland geweest. Door het gebruik van deze dwangmiddelen is aangeefster in een uitbuitingssituatie beland. Verdachte heeft de werktijden bepaald die aangeefster moest maken. Hij heeft aangeefster lange werkdagen laten maken waarop aangeefster soms 12 uur of meer moest werken en heeft aangeefster al het door haar verdiende geld aan hem laten afstaan. Verdachte wilde dat aangeefster ook doorwerkte terwijl zij last had van vaginale bloedingen. Aangeefster moest van hem sponsjes gebruiken, die ook al eerder door een ander waren gebruikt. Verdachte bepaalde verder dat aangeefster voortdurend moest staan in de vitrine en dat zij niet met ander meisjes mocht praten. Nu verdachte gebruik heeft gemaakt van voornoemde ongeoorloofde middelen is voor een bewezen verklaring niet van belang dat aangeefster heeft ingestemd met het werken in de prostitutie.

tenlastegelegde sub 3

Verdachte heeft aangeefster aangeworven en meegenomen, door haar actief te benaderen, voor aangeefster een paspoort en een vliegticket te regelen en te betalen, door een oppas te regelen en te betalen en met haar naar Nederland te reizen, teneinde aangeefster in een ander land, te weten Nederland, tot prostitutie te brengen. De stelling van de raadsman dat aan een bewezenverklaring in de weg staat dat aangeefster al in de prostitutie zat toen zij naar Nederland werd vervoerd en zij dus niet tot prostitutie is gebracht, wordt door de rechtbank verworpen. Reeds het een ander vanuit Bulgarije naar Nederland brengen om als prostituee te werken, houdt in het medenemen van die ander met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen voor de prostitutie. Hierbij is het niet van belang of de betrokken vrouw, op het moment dat ze op vorenbedoelde wijze wordt meegenomen, al in de seksindustrie werkzaam is of was, of er mee instemt om in een ander land te werken.

tenlastegelegde sub 4

Verdachte heeft aangeefster met de hiervoor onder sub 1 genoemde dwangmiddelen bewogen om zich in Nederland beschikbaar te stellen voor de prostitutie. Verdachte heeft immers, nadat hij aangeefster als prostituee in voor verdachte duidelijk kenbare miserabele omstandigheden in Bulgarije heeft ontmoet, haar actief benaderd om met hem een relatie aan te gaan. Verdachte heeft zich gedragen als de vriend van aangeefster, hij kocht eten en kleding voor aangeefster en verschafte haar en haar zoontje onderdak. Bij aangeefster werd daardoor de indruk gewekt dat verdachte haar werkelijk uit haar miserabele positie wilde helpen. Na enige tijd deelde verdachte aangeefster mede dat zij in Nederland in de prostitutie zou gaan werken, regelde de reis en de reisbescheiden en een oppas waardoor hij aangeefster heeft bewogen om naar Nederland te gaan en in de prostitutie te gaan werken.”

2.2.3. Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als “mensenhandel”.

2.3.1. Art 273f, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr waarop de tenlastelegging is toegesneden, luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(...)

3° degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

(...)”

2.3.2. In zijn arrest van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3°, Sr omschreven gedragingen eerst dan als “mensenhandel” kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld omdat “uitbuiting” moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr.

2.4.1. In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het Hof besloten dat de bewezenverklaarde gedragingen “aanwerven” en “medenemen” zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

2.4.2. Het middel faalt in zoverre.

2.4.3. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Verder lezen
Terug naar overzicht