NBSTRAF 2017/217, Hoge Raad 23-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:951, 5115/15

Inhoudsindicatie

Kantonrechter, Hoger beroep, Cassatie

Samenvatting

De Hoge Raad stelt vast dat tegen het vonnis waarbij verdachte met toepassing van art. 9a Sr schuldig verklaard is ter zake van overtreding van een voorschrift van de APV Gemeente Cranendonck 2010, op grond van 404 lid 2 en 4 Sv geen hoger beroep maar cassatieberoep openstaat. Degene die tegen een vonnis een rechtsmiddel instelt, moet in het algemeen geacht worden het volgens de wet daartegen openstaande rechtsmiddel te hebben willen aanwenden. Nu niet blijkt van een omstandigheid op grond waarvan vorenstaande regel i.c. uitzondering zou moeten lijden, had het Hof, in plaats van verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, dat beroep moeten verstaan als beroep in cassatie en moeten bepalen dat de stukken van het geding ter behandeling van dat cassatieberoep aan de griffier van de Hoge Raad zouden worden gezonden. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:366, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep aangezien dat beroep had moeten worden verstaan als beroep in cassatie.

2.2.1. De Kantonrechter in de Rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 28 april 2015 de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Cranendonck 2010 met toepassing van art. 9a Sr schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

2.2.2. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft hem in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Artikel 404, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen een dergelijk vonnis, door de kantonrechter als einduitspraak gegeven, geen hoger beroep openstaat voor de verdachte, tenzij een van de situaties genoemd in het derde lid van die bepaling zich voordoet. Hiervan is echter geen sprake nu de behandeling in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden.”

2.3. Art. 404 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.

3. In afwijking van het tweede lid staat voor de verdachte hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen vonnis als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 588a.

4. Tegen de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde vonnissen waartegen geen hoger beroep openstaat, staat evenmin beroep in cassatie open, tenzij zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.”

2.4. Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 12 mei 2015 op de griffie verklaard hoger beroep in te stellen tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter. Gelet op art. 404, tweede en vierde lid, Sv stond tegen dat vonnis echter geen hoger beroep open, maar beroep in cassatie.

2.5. Degene die tegen een vonnis een rechtsmiddel instelt moet in het algemeen geacht worden het volgens de wet daartegen openstaande rechtsmiddel te hebben willen aanwenden. Nu niet blijkt van een omstandigheid op grond waarvan vorenstaande regel in de onderhavige zaak uitzondering zou moeten lijden, had het Hof in plaats van de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep dat beroep moeten verstaan als beroep in cassatie en moeten bepalen dat de stukken van het geding ter behandeling van dat cassatieberoep aan de Griffier van de Hoge Raad zouden worden gezonden. Dat brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld en het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.

Terug naar overzicht