NBSTRAF 2017/218, Hoge Raad 23-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:944, 1744.16

Inhoudsindicatie

Bewijsminimum, Medeplegen, Medeplichtigheid

Samenvatting

Falende klachten over 1. afwijking van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot de betrouwbaarheid van verklaringen (art. 359.2 Sv), 2. unus testis (art. 342.2 Sv), 3. bewijs van medeplegen en 4. afwijking van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt omdat hij bewust over het slachtoffer heen heeft geschoten. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:359, Gevolgd.

Uitspraak

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1: hij op 20 december 2011 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk X van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet, met een vuurwapen een kogel geschoten door het hoofd van X, ten gevolge waarvan voornoemde X is overleden;

2: hij op 20 december 2011 te Purmerland, gemeente Landsmeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk Y en Z van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet,

– met een vuurwapen kogels geschoten in het hoofd van Y, en

– met een vuurwapen kogels geschoten in het hoofd van Z,

ten gevolge waarvan voornoemde Y en Z zijn overleden.”

(...)

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte Q, althans dat het Hof die afwijking onvoldoende heeft gemotiveerd.

(...)

 

3.2.2. Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, de hiervoor weergegeven verklaringen van Q – voor zover inhoudend dat na het klemrijden van de auto met Q en X op de Kanaaldijk de verdachte en betrokkene A beiden gewapend uit de Renault zijn gekomen en naar de passagierszijde van zijn auto zijn gelopen, alwaar X uit de auto is gestapt – betrouwbaar geacht. Het heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat “Q steeds heeft verklaard dat zowel de persoon op de passagiersstoel, te weten betrokkene A, en de persoon achterin de Renault Megane, te weten de verdachte, uit de auto zijn geweest op de Kanaaldijk en [dat] zij beiden gewapend waren”. Het Hof heeft daarbij onder ogen gezien dat Q op andere punten wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat dit wellicht is ingegeven door diens eigen procespositie, maar is tot de slotsom gekomen dat zulks niet afdoet aan het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de hiervoor bedoelde verklaringen.

3.2.3. De klacht dat het Hof heeft verzuimd de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van het in het middel bedoelde standpunt, mist derhalve feitelijke grondslag. ’s Hofs afwijking van het door de verdediging ingenomen standpunt steunt op gronden die zijn beslissing kunnen dragen terwijl zijn oordeel ook in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde.

3.2.4. Het middel faalt in zoverre.

3.3. Het middel klaagt voorts dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde uitsluitend heeft doen steunen op de hiervoor genoemde verklaringen van de Q.

3.4.1. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).

3.4.2. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het bewijs dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van doodslag op X heeft begaan, niet alleen kan worden aangenomen op grond van de hiervoor bedoelde verklaringen van Q, maar dat deze door hem gereleveerde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat die overige bewijsmiddelen onder meer inhouden dat X is doodgeschoten en dat de verdachte heeft verklaard dat hij tezamen met betrokkene A Q zou beschermen, dat zij daartoe de auto met daarin Q en X zijn gevolgd en uiteindelijk op de Kanaaldijk hebben klemgereden waarna X aldaar is doodgeschoten. Anders dan het middel betoogt, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

3.4.3. Ook deze klacht faalt derhalve.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen.

4.2. In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

4.3. Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het onder 1 tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Het oordeel van het Hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededader geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.4. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte wat betreft het onder 2 tenlastegelegde niet als medepleger kan worden aangemerkt omdat hij bewust over het slachtoffer Z heen heeft geschoten.

5.2. Het Hof heeft blijkens zijn in 2.2.2, onder het kopje “Ten aanzien van feit 2”, weergegeven overwegingen de verklaring van de verdachte dat hij bewust heeft misgeschoten teneinde zich aan de deelneming van de levensberovingen te onttrekken, niet aannemelijk geacht. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie. Voorts draagt dat oordeel de afwijking van het in het middel bedoelde standpunt zelfstandig zodat art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv het Hof niet tot een nadere motivering noopte.

5.3. De klacht faalt derhalve.

Verder lezen
Terug naar overzicht