NBSTRAF 2017/222, Hoge Raad 16-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:890, 2973.15

Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij, Schadevergoedingsmaatregel, Kosten rechtsbijstand

Samenvatting

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f lid 1 Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet ontvankelijk te worden verklaard. Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f lid 1 Sr voorziene maatregel.

Uitspraak

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte een bedrag van € 1.102,50 ten titel van kosten voor rechtsbijstand in aanmerking heeft genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr.

2.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.102,50 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/ alternatief bewezen verklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 897,50, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen, nu niet aannemelijk is geworden dat de gestelde schade is geleden.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

(...)

Beslissing

(...)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer ter zake van het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) bestaande uit € 1.102,50 (duizend honderdtwee euro en vijftig cent) materiële schade en € 897,50 (achthonderdzevenennegentig euro en vijftig cent) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”

 

2.3. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f lid 1 Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801). Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

2.4. Het voorgaande brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f lid 1 Sr voorziene maatregel (HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

2.5. Op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.3 aangevoerde grond, moet het ervoor worden gehouden dat het door het Hof aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 1.102,50 als vergoeding van de door hem geleden materiële schade, ziet op de door deze gevorderde vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en dat het Hof die kosten in aanmerking heeft genomen bij de oplegging van de maatregel van art. 36f lid 1 Sr. Daarmee heeft het Hof miskend hetgeen onder 2.3 en 2.4 is overwogen. Het middel klaagt hierover terecht. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, het bedrag van de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat verminderen evenals het aantal dagen van de vervangende hechtenis.

Terug naar overzicht