NBSTRAF 2017/227, Hoge Raad 23-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:948, 3373.15

Inhoudsindicatie

Witwassen, Verbeurdverklaring

Samenvatting

Met de rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen wordt gedoeld op het “verwerven of voorhanden hebben” als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder b Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte de geldbedragen heeft “overgedragen” en heeft “omgezet” als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het “verwerven” en “voorhanden hebben” van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij het middel.

Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo een geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt.

Uitspraak

2. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde het “medeplegen van gewoontewitwassen” oplevert.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt.”

2.2.2. Het Hof heeft het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “medeplegen van gewoontewitwassen”.

2.3. Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, NbSr 2014/141 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, Nbv Sr 2017/6, noot mr. J.C. Dekkers). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het “verwerven of voorhanden hebben” als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte de geldbedragen heeft “overgedragen” en heeft “omgezet” als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het “verwerven” en “voorhanden hebben” van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij het middel (HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).

2.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het door de advocaat-generaal bij het Hof voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen van € 4.247,71 en € 5.835,03 heeft afgewezen.

3.2. Het Hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – als volgt overwogen en beslist:

“Ten aanzien van de inbeslaggenomen gelden overweegt het hof dat uit het dossier en hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, blijkt dat het om conservatoir in beslaggenomen gelden gaat. Gelden waarop conservatoir beslag rust kunnen niet verbeurd verklaard worden. Het hof zal daarom, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, deze gelden niet verbeurdverklaren.”

3.3. Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo een geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt (HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2016/62, NbSr 2016/36, noot J.J. Bussink).

3.4. Het oordeel van het Hof zoals weergegeven onder 3.2 is derhalve onjuist.

3.5. Het middel slaagt.

Terug naar overzicht