NBSTRAF 2017/229, Hoge Raad 23-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:955, 4742.16 U (met annotatie van mr. V.J.C. de Bruijn)

Inhoudsindicatie

Uitlevering

Samenvatting

De Rechtbank heeft de uit het systeem van de Uitleveringswet voortvloeiende bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister miskend. De middelen klagen daarover op zichzelf terecht. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden omdat de Rechtbank het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM en dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, slechts had kunnen verwerpen. De uitleveringsrechter komt immers bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een dreigende flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM. Nu niet blijkt dat door of namens de opgeëiste persoon voldoende gemotiveerd is aangevoerd dat aan de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, lijdt die regel in dit geval geen uitzondering. Opmerking verdient nog dat de uitleveringsrechter de bevoegdheid heeft om de Minister te adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan, zoals de Rechtbank in de onderhavige zaak ook heeft gedaan.

Uitspraak

2. Beoordeling van de middelen

2.1. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het aangewezen is dat de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister), de toetsing van de risico’s van de uitlevering voor schending van art. 6 onderscheidenlijk art. 13 EVRM verricht.

Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de – in verband met betrokkenheid bij handel in verdovende middelen – opgeëiste persoon door zijn uitlevering aan Turkije het risico loopt te worden blootgesteld aan een (flagrante) schending van enig hem ingevolge art. 6 onderscheidenlijk art. 13 EVRM toekomend recht. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2. De Rechtbank heeft een ter zitting door de raadsman van de opgeëiste persoon gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Verweer inzake dreigende flagrante schending van artikel 6 en 13 EVRM

De raadsman heeft primair gesteld dat het verzoek om uitlevering moet worden aangehouden en subsidiair dat het ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens dreigende flagrante schending van de artikelen 6 en 13 EVRM, met name het recht op een fair trial, onbelemmerde toegang tot een raadsman en berechting door een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn. Hij heeft daartoe stukken overgelegd die melding maken van het oppakken van 2.745 Turkse rechters, invallen van de Turkse politie op maandag 15 en dinsdag 16 augustus 2016 in verschillende rechtbanken in Istanboel, waaronder de rechtbank die het uitleveringsverzoek heeft uitgevaardigd, waarbij medewerkers werden aangehouden (bron: nrc.nl, 16 augustus 2016) alsmede berichten van Human Rights Watch met betrekking tot het in voorlopige hechtenis stellen van rechters en openbare aanklagers, naast berichten van mensenrechtenschendingen van Amnesty International sinds de staatsgreep van 15 juli 2016.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003: AE5288). Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk (vgl. HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312).

De door de raadsman overgelegde stukken alsmede de verontrustende informatie die via de media tot de rechtbank komt, wijzen op een politieke en maatschappelijke situatie waarin er onzekerheid is over de risico’s daarvan voor de rechtsorde en evenzeer voor een ordelijk en eerlijk proces voor verdachten in Turkije. Een eerlijk proces omvat de rechten die de raadsman noemt, zoals de vrije toegang tot een raadsman en het recht op een eerlijk proces bij een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn.

Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of in concreto ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake zal zijn van een schending als door de advocaat gesteld, overweegt de rechtbank het volgende.

De beoordeling in het kader van het uitleveringsrecht is een bijzondere, geregeld in nationaal en internationaal recht, alsmede Europese en nationale jurisprudentie waarbij het wederkerigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel een rol spelen. Van belang is dat er sprake is van een verdeling van bevoegdheid bij de beoordeling van de weigeringsgronden tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister). De rechtbank kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren, aan welk oordeel de Minister gebonden is. Indien de rechtbank de uitlevering wel toelaatbaar verklaart, adviseert zij de Minister over het aan het verzoek te geven gevolg, welk advies niet bindend is. De Minister kan een beslissing nemen tot weigering, ook als de rechter de uitlevering toelaatbaar had verklaard.

De rechtbank begrijpt dat uitleveringen aan Turkije in individuele gevallen van verzoeken tot uitlevering ter vervolging blijkens een bericht van de Landsadvocaat (bericht in de Telegraaf van 22 juli 2016) zijn opgeschort. Voorts is van belang dat de Turkse Staat het EVRM niet opzij heeft gezet, maar gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 15 EVRM om in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, maatregelen te nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dat Verdrag. De strekking van deze bevoegdheid is in beginsel tijdelijk, zoals volgt uit het derde lid van voornoemd artikel. Daargelaten hoe lang deze tijdelijke situatie zal blijken voort te duren, is het bij deze stand van zaken naar het oordeel van de rechtbank aangewezen dat de Minister op grond van een actuele analyse van de politieke en juridisch situatie in Turkije in het algemeen en de concrete situatie van het te verwachten proces van de opgeëiste persoon, de nadere toetsing van de risico’s van de uitlevering voor schending van de rechten op grond van artikel 6 en 13 EVRM verricht. Bij dit oordeel speelt mede een rol dat de verdenking waarvoor de uitlevering wordt verzocht in dit geval vervolging wegens een commuun delict betreft dat zou zijn gepleegd in een tijdsbestek waarin van een staatsgreep nog geen sprake was.”

 

2.3. In zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NbSr 2017/144, noot V.J.C. de Bruijn, heeft de Hoge Raad ter zake van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter en de Minister ten aanzien van een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten in art. 6 EVRM onder meer het volgende overwogen:

“(i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, ...) deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan

(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens

(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve – kort gezegd – de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.”

2.4. Blijkens haar hiervoor onder 2.2 weergegeven overweging heeft de Rechtbank de uit het systeem van de Uitleveringswet voortvloeiende bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister, zoals hiervoor onder 2.3 uiteengezet, miskend. De middelen klagen daarover op zichzelf terecht. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden omdat de Rechtbank het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM en dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, slechts had kunnen verwerpen. De uitleveringsrechter komt immers bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een dreigende flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM. Nu niet blijkt dat door of namens de opgeëiste persoon voldoende onderbouwd is aangevoerd dat aan de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, lijdt die regel in dit geval geen uitzondering.

2.5. Opmerking verdient nog dat de uitleveringsrechter de bevoegdheid heeft om de Minister te adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan, zoals de Rechtbank in de onderhavige zaak ook heeft gedaan.

Noot

De Hoge Raad heeft recentelijk een overzichtsarrest gewezen over verweren over dreigende en voltooide schendingen van artikel 6 EVRM bij vervolgings- en tenuitvoerleggingsuitleveringen (HR 21 maart 2017, NbSr 2017/144, m.nt. V.J.C. de Bruijn). Het onderhavige arrest betreft een vervolgingsuitlevering naar Turkije, waarbij de verdediging zich onder meer beroept op een dreigende schending van artikel 6 EVRM. De Hoge Raad herhaalt het op dergelijke gevallen toepasselijke beoordelingskader. Er moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat Turkije het EVRM zal eerbiedigen, en dat het rechtssysteem van Turkije de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de Turkse strafrechter, en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces. Dat uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden indien (a) de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, en tevens (b) hij na zijn uitlevering tegen die inbreuk geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM heeft.

 

In het geval van Turkije is het na de staatsgreep van 15 juli 2016 echter niet vanzelfsprekend erop te vertrouwen dat de strafzaak van de opgeëiste persoon zal voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Turkije heeft immers op 25 juli 2016 de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa ex artikel 15 lid 3 EVRM medegedeeld dat Turkije maatregelen kan nemen die afwijken van artikel 6 EVRM. Het gevolg van die aanzegging is echter niet dat het EVRM in zijn geheel in Turkije is ‘opgeschort’, of dat artikel 6 EVRM niet meer van toepassing is op strafzaken aldaar. Artikel 15 EVRM staat niet toe dat Turkije inbreuk maakt op bijvoorbeeld artikel 3 EVRM. Bovendien moet Turkije de maatregelen die in strijd zijn met artikel 6 EVRM melden conform artikel 15 lid 3 EVRM. Echter, mogelijk zijn er wel maatregelen genomen die (i) van belang zijn voor de vervolging van deze opgeëiste persoon in kwestie, én (ii) een inbreuk maken op artikel 6 EVRM.

 

De Hoge Raad toetst – overeenkomstig de conclusie van Advocaat-Generaal Aben – met name of hetgeen de verdediging heeft aangevoerd dat specifiek ziet op deze opgeëiste persoon, het risico op een flagrante schending van artikel 6 EVRM met zich brengt. In dat verband merkt A-G Aben op dat de maatregelen van de Turkse overheid vooral civiel- en administratiefrechtelijk zijn, en zich richten tegen de Gülen-beweging. In het onderhavige geval betrof het een verdenking van handel in verdovende middelen en was er geen link met de Gülen-beweging gesteld. Naar het oordeel van de Hoge Raad was er dus geen risico op een flagrante schending van artikel 6 EVRM.

 

Turkije heeft inderdaad een aantal civiele en administratieve maatregelen gemeld, bijvoorbeeld het sluiten van Gülen-gerelateerde media en het bevriezen van de tegoeden van bepaalde organisaties. Onder de maatregelen vallen – naast hetgeen A-G Aben opmerkt – echter ook strafvorderlijke maatregelen als het beperken van het recht op gedetailleerde kennisneming van de aard en achtergrond van de verdenking, het scheppen van de bevoegdheid voor het Openbaar Ministerie advocaat-cliënt-correspondentie in beslag te nemen, het beperken van recht vrijelijk een advocaat te kunnen kiezen, het onder omstandigheden kunnen monitoren van advocaat-cliënt-gesprekken, en het beperken van de toegang van een verdachte tot zijn raadsman de eerste vijf dagen van de hechtenis (Decreet 668, 26 juli 2016).

 

Voor zover ik heb kunnen nagaan, hebben die strafvorderlijke maatregelen betrekking op een bepaalde klasse van misdrijven (drugshandel is daar geen onderdeel van). Uit de tekst van de aangemelde maatregelen valt echter niet af te leiden dat de nieuwe strafvorderlijke bevoegdheden uitsluitend tegen de Gülen-beweging of voor de afwikkeling van de staatsgreep mogen worden ingezet. Ook verdachten zonder band met de Gülen-beweging lopen dus het risico met dergelijke maatregelen te worden geconfronteerd. Per concrete opgeëiste persoon zal dus moeten worden nagegaan of het strafbare feit waarvoor de vervolgingsuitlevering wordt verzocht, valt binnen de reikwijdte van de aangemelde maatregelen. Zo ja, dan lijkt mij het risico op een flagrante schending van artikel 6 EVRM gezien de afgekondigde maatregelen reëel. Een rechtsmiddel daartegen is mogelijk niet voorhanden, aangezien het gaat om inbreuken in lijn met door de Turkse regering aangemelde maatregelen. Het is dan wel aan de verdediging om een dergelijk verweer zo concreet mogelijk te onderbouwen. De uitleveringsrechter zou in dergelijke gevallen de uitlevering ontoelaatbaar moeten verklaren.

 

Naast de concrete ex artikel 15 EVRM gemelde maatregelen, zijn er echter nog meer factoren waardoor mogelijk het risico op een flagrante mensenrechtenschending ontstaat. Allereerst zijn er in Turkije vele rechters en officieren van justitie ontslagen. Dat betekent dat strafprocedures mogelijk niet binnen een redelijke termijn kunnen worden afgerond. Voorts heeft het grote aantal arrestaties na de staatsgreep ertoe geleid dat de reeds bestaande overbevolking van penitentiaire inrichtingen verder is verslechterd. Dat is een ontwikkeling die rechtstreeks betrekking heeft op het risico van flagrante schending van artikel 3 EVRM. De Rechtbank Gelderland hield daarnaast reeds een uitleveringszaak waarin de uitlevering van een Koerd werd verzocht voor onbepaalde tijd aan (Rechtbank Gelderland 19 augustus 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4610). Dergelijke risico’s zijn weliswaar algemeen, maar hebben juist daarom ook met grote waarschijnlijkheid betrekking op een gegeven concrete strafzaak. Het is daarom niet juist dergelijke bezwaren af te doen als niet voldoende toegespitst op het concrete geval.

 

Die risico’s vereisen echter een schatting van de politieke situatie en rechtspleging in Turkije op dit moment, waarbij (mogelijk) toegang tot voor de rechter afgesloten informatiebronnen noodzakelijk is, of onderhandeld moet worden met Turkije over te verstrekken garanties (zie E. van Sliedrecht, J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Handboek internationaal strafrecht, Kluwer: Deventer 2008, p. 182). Dat is echter in het systeem van de Uitleveringswet voorbehouden aan de Minister van Veiligheid & Justitie. De uitleveringsrechter kan de Minister daarover slechts adviseren. Dat heeft de uitleveringsrechter in dit geval ook gedaan. Als de Minister besluit de uitlevering alsnog toe te staan, dan resteert de opgeëiste persoon slechts nog een gang naar de burgerlijke rechter.

mr. V.J.C. de Bruijn, advocaat bij De Roos & Pen te Amsterdam

Verder lezen
Terug naar overzicht