NBSTRAF 2017/234, Hoge Raad 06-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1019, 4561.15

Inhoudsindicatie

Medeplegen

Samenvatting

Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Blijkens zijn bewijsvoering is het Hof onder meer uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte is samen met zijn drie medeverdachten in een Opel Vectra naar de woning gereden, waar zij de auto op de rijbaan hebben geparkeerd. Vervolgens zijn ten minste twee van de vier verdachten bij de woning gezien, waarbij een van hen langs het slaapkamerraam richting de keuken liep en met een breekvoorwerp bezig was het keukenraam open te breken. Daarnaast is gezien dat twee verdachten wegrenden toen het licht in de keuken werd aangedaan door de aangever. De auto is daarop met hoge snelheid en gedoofde lichten weggereden. Kort daarna is de auto gecontroleerd, waarbij in de auto niet alleen de verdachte en zijn medeverdachten werden aangetroffen, maar ook een schroevendraaier die bij de poging tot inbraak is gebruikt. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof voorts van belang geacht dat onder meer de verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de auto in het holst van de nacht bij de woning. De door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden zijn voor de Hoge Raad voldoende om te kunnen aannemen dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde poging tot inbraak van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Samenhang met ECLI:NL:HR:2017:1019. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:386, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het medeplegen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 19 oktober 2013 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen A-straat 1) weg te nemen goederen en/of geld naar hun gading, toebehorende aan betrokkene X, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en de weg te nemen goederen en/of geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, met een of meer van zijn mededader(s) als volgt heeft gehandeld: hebbende hij en zijn mededaders met een auto van/naar die A-straat 1 gereden en/of een auto en/of een schroevendraaier ter beschikking gesteld en/of op de uitkijk gestaan en/of met een schroevendraaier een raam van die woning geforceerd, althans geprobeerd een raam van de woning te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

(...)

 

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Betrokkenheid verdachten

Gelet op de feiten en alle omstandigheden tezamen, en met name de korte tijdspanne tussen het moment van de melding en het moment van het aantreffen van de Opel Vectra met daarin de vier verdachten en de bij de inbraak gebruikte schroevendraaier, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte en zijn drie medeverdachten betrokken zijn geweest bij de poging tot woninginbraak aan de A-straat 1 te Bodegraven.

Medeplegen

Met name gelet op de verklaring van aangever X dat hij twee mannen bij zijn woning heeft zien wegrennen, stelt het hof vast dat tenminste twee van de verdachten bij de woning zijn geweest. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welke twee van de vier verdachten dit waren alsmede wat de exacte rol van de andere verdachten is geweest. Dit staat echter niet aan een bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging plegen van de poging tot woninginbraak in de weg. De verdachten zijn immers slechts enkele minuten na de melding van de poging tot woninginbraak met zijn vieren in de Opel Vectra aangetroffen. Bovendien bevond zich in die auto de schroevendraaier waarmee is getracht de woninginbraak te plegen. De Opel Vectra is voorts door de getuige Y gezien bij de betreffende woning en zij zag dat deze auto met gedoofde lichten en met een hoge snelheid wegreed. De verdachten hebben geen van allen een geloofwaardige verklaring afgelegd waarom zij met deze auto in het holst van de nacht bij de woning aan de A-straat zijn geweest; belastende omstandigheden waarover van ieder van hen een verklaring mag worden verwacht. Mede gelet hierop gaat het hof ervan uit dat alle vier de verdachten bij de poging tot woninginbraak waren betrokken. Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt en derhalve tezamen en in vereniging hebben getracht in te breken in de woning aan de A-straat 1 te Bodegraven.”

2.3.1. In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering. Voorts kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323).

2.3.2. In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de poging tot diefstal wel worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de poging tot diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen (vgl. HR 5 juli 2015, ECLI:NL:HR:2016:1323).

2.4.1. Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Blijkens zijn bewijsvoering is het Hof onder meer uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte is samen met zijn drie medeverdachten in een Opel Vectra naar de woning gereden, waar zij de auto op de rijbaan hebben geparkeerd. Vervolgens zijn tenminste twee van de vier verdachten bij de woning gezien, waarbij één van hen langs het slaapkamerraam richting de keuken liep en met een breekvoorwerp bezig was het keukenraam open te breken. Daarnaast is gezien dat twee verdachten wegrenden toen het licht in de keuken werd aangedaan door de aangever. De auto is daarop met hoge snelheid en gedoofde lichten weggereden. Kort daarna is de auto gecontroleerd, waarbij in de auto niet alleen de verdachte en zijn medeverdachten werden aangetroffen, maar ook een schroevendraaier die bij de poging tot inbraak is gebruikt. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof voorts van belang geacht dat onder meer de verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de auto in het holst van de nacht bij de woning.

2.4.2. De door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden zijn voldoende om te kunnen aannemen dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde poging tot inbraak van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

2.5. Het middel faalt.

Verder lezen
Terug naar overzicht