NBSTRAF 2017/236, Hoge Raad 06-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1026, 1903.16

Inhoudsindicatie

Strafmaximum

Samenvatting

In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NbSr 2005/233 (NJ 2006, 10, m.nt. Mevis) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit. Toepassing hiervan leidt in casu tot de vaststelling dat ingeval van voeging van alle feiten de rechter maximaal een gevangenisstraf van twintig jaren (vijftien jaren vermeerderd met een derde) had mogen opleggen. Nu de verdachte inmiddels is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, had het Hof een gevangenisstraf kunnen opleggen van ten hoogste zestien jaren. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:395, Gevolgd.

Uitspraak

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het bepaalde in art. 57 en 63 Sr heeft geschonden.

3.2. Bij het bestreden arrest heeft het Hof de verdachte wegens – kort gezegd – het medeplegen van doodslag (art. 287 Sr), het voorhanden hebben van wapens en munitie (art. 26 en 55 Wwm), poging tot doodslag (art. 45 en 287 Sr), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr), en mishandeling, meermalen gepleegd (art. 57 en 300 Sr), veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren.

3.3.1. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof de straf in de onderhavige zaak onder meer gegrond op de art. 57 en 63 Sr.

(...)

 

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich het de verdachte betreffende uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 25 februari 2016. Dat houdt in dat de verdachte na de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde misdrijven, begaan in het jaar 2012, bij rechterlijke uitspraak van 17 maart 2014 onherroepelijk is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van diefstal met geweld (art. 47 en 312, eerste lid, Sr).

3.5. In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005: AS5556, NJ 2006/10 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige

a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl

b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en

c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.

3.6. Toepassing van het voorgaande op het onderhavige geval leidt tot de vaststelling dat ingeval van voeging van alle, hiervoor onder 3.2 en 3.4 vermelde feiten de rechter maximaal een gevangenisstraf van twintig jaren (vijftien jaren vermeerderd met een derde) had mogen opleggen. Nu de verdachte inmiddels is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, had het Hof een gevangenisstraf kunnen opleggen van ten hoogste zestien jaren.

3.7. Het middel is gegrond.

3.8. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en de straf bepalen met inachtneming van art. 63 Sr. Mede in aanmerking genomen dat het Hof blijkens een aanvulling van 15 juni 2016 op het arrest heeft aangegeven dat het abusievelijk onvoldoende rekening heeft gehouden met de toepassing van art. 63 Sr en dat het, als het op de juiste wijze rekening had gehouden met art. 63 Sr, een gevangenisstraf van zestien jaren had opgelegd, zal de Hoge Raad de gevangenisstraf bepalen op zestien jaren.

Verder lezen
Terug naar overzicht