NBSTRAF 2017/238, Hoge Raad 07-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1033, 1651.16

Inhoudsindicatie

Profijtontneming, Wederrechtelijk verkregen voordeel

Samenvatting

De Rechtbank heeft bij onherroepelijk geworden strafvonnis geoordeeld dat het in beslag genomen geldbedrag van € 2.290,60 dient te worden verbeurdverklaard, aangezien dit geldbedrag aan de betrokkene toebehoort en het geld door de betrokkene geheel of grotendeels door middel van de verkoop van cocaïne is verkregen. Aldus is dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds aan de betrokkene ontnomen. Het Hof had het in de strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag in mindering moeten brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Hoge Raad doet de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:403, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

2.2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 6 is het middel terecht voorgesteld (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, rov. 2.4).

“De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: (i) In de bijbehorende strafzaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de betrokkene bij vonnis van 28 januari 2014 ter zake van het opzettelijk verkopen van (handels)hoeveelheden cocaïne in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 18 april 2013 en in de periode van 20 april 2013 tot en met 31 juli 2013 (feit 1), het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 32 gram cocaïne op 31 juli 2013 (feit 2) en het opzettelijk vervoeren van ongeveer 125 gram cocaïne op 19 april 2013 (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft de rechtbank onder meer een inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.290,60 verbeurdverklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat dit geldbedrag toebehoort aan de betrokkene en geheel of grotendeels door middel van de verkoop van drugs (feit 1) is verkregen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. (ii) In de onderhavige ontnemingszaak heeft het hof overwogen dat de betrokkene door middel van het begaan van het in het strafvonnis onder 1 bewezenverklaarde feit en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de verkoop van cocaïne op 31 juli 2012 en op 19 april 2013, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van een ontnemingsperiode van 31 juli 2012 tot 31 juli 2013. Vervolgens heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, op basis van het financieel rapport van de politie (‘de voordeelsrapportage’) geschat op een bedrag van € 15.465,- en voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene. Ingevolge art. 33a, eerste lid, aanhef en onder a, Sv (lees: Sr; red.) zijn voorwerpen die aan de betrokkene toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit de memorie van toelichting1 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 31 maart 2011 tot verruiming van de mogelijkheden tot voordeelontneming volgt dat ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit kan worden bereikt dat aan de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.

6. De rechtbank heeft bij onherroepelijk geworden strafvonnis geoordeeld dat het in beslag genomen geldbedrag van € 2.290,60 dient te worden verbeurdverklaard, aangezien dit geldbedrag aan de betrokkene toebehoort en het geld door de betrokkene geheel of grotendeels door middel van de verkoop van cocaïne is verkregen. Aldus is dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds aan de betrokkene ontnomen. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld, had het hof het in de strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 in mindering moeten brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.”

2.3. De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.465,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 13.174,40 bedraagt.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de hiervoor onder 2.3 vermelde aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.

(...)

5. Beslissing

De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 12.515,68 bedraagt; verwerpt het beroep voor het overige.

Verder lezen
Terug naar overzicht