NBSTRAF 2017/277, Hoge Raad 04-07-2017, ECLI:NL:HR:2017:1216, 2731.16

Inhoudsindicatie

Unus testis, Steunbewijs

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld wegens het plegen van ontucht met zijn (stief)dochters. Middelen stellen dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van beide aangeefsters onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee, nu het Hof ten aanzien van deze feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verklaringen van aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door verdachte en de wijze waarop die handelingen in de woning van verdachte plaatsvonden. Daarnaast heeft het Hof in de bewijsvoering tevens de verklaring van een getuige, aan wie een van de aangeefsters haar verhaal heeft gedaan, betrokken. Geen schending van art. 342 lid 2 Sv.

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:578, Gevolgd (over gebruik schakelbewijs als steunbewijs).

Uitspraak

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

2.1. De middelen richten zich tegen de motivering van de bewezenverklaringen en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 8 oktober 2003 tot en met 7 oktober 2009 in de gemeente Veendam, meermalen, met betrokkene A (geboren 1997), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van A, hebbende verdachte

– zijn (stijve) penis aan A getoond en

– zijn (stijve) penis laten vastpakken door A en

– zich door A laten aftrekken en

– zijn (stijve) penis in de vagina van A geduwd/gebracht en

– zijn (stijve) penis in de mond van A geduwd/gebracht en

– een of meer vinger(s) in de vagina van A geduwd/gebracht;

2. hij in de periode van 27 maart 1995 tot en met 26 maart 1998 te Nieuw-Buinen en te Ter Apel, meermalen, met B (geboren 1986), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van B, hebbende verdachte

– zijn tong in de mond van B gestopt en

– zijn (stijve) penis aan B getoond en

– zijn (stijve) penis laten vastpakken door B en

– zich door B laten aftrekken en

– zijn (stijve) penis in de mond van B geduwd/gebracht en

– de clitoris van B aangeraakt en

– een vinger in de vagina van B geduwd/gebracht en

– met zijn tong aan de vagina van B gelikt;

3. hij in de periode van 27 maart 1998 tot en met 26 maart 2002 te Ter Apel en te Wildervank, meermalen, met B (geboren 1986), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van B, hebbende verdachte

– zijn (stijve) penis aan B getoond en

– zijn (stijve) penis laten vastpakken door B en

– zich door B laten aftrekken en

– zijn (stijve) penis in de mond van B geduwd/gebracht en

– geëjaculeerd en geplast in de mond en de vagina van B en

– een of meer vinger(s) in de vagina van B geduwd/gebracht en

– B in opdracht van verdachte een bierflesje in haar vagina laten duwen/brengen en

– met zijn tong aan de vagina van B gelikt.”

(...)

 

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaringen voorts het volgende overwogen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang:

“Het steunbewijs

Zoals gezegd is verdachte in eerste aanleg vrijgesproken vanwege onvoldoende steunbewijs voor de op zichzelf ook door de rechtbank betrouwbaar geachte aangiften. Het hof constateert, evenals de rechtbank, dat B en A niet kunnen verklaren over elkaars misbruik bij gebrek aan wetenschap destijds. De verklaringen van de verbalisant en de getuigen, die zij op grond van hun professionele betrokkenheid bij aangeefsters hebben afgelegd (...), bevestigen weliswaar onderdelen van de verklaringen van B en A en zijn in die zin van belang, maar eveneens onvoldoende toereikend om als steunbewijs te dienen. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet – zo blijkt uit op dit punt relevante jurisprudentie van de Hoge Raad – in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Alle aspecten van de onderhavige strafzaak beziende is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de aangifte van de één in dit geval zeer wel kan dienen als steunbewijs voor die van de ander. De omstandigheid dat er sprake is van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte kan in deze zaak tot geen andere conclusie leiden dan dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de hierna opgenomen bewijsmiddelen kan niet worden gesproken van slechts één bron. De evidente samenhang tussen beide bronnen zou daarmee ten onrechte worden miskend. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan (...)”

2.3. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).

2.4. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster A met betrekking tot feit 1 en aangeefster B met betrekking tot feit 2 en feit 3 onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het Hof ten aanzien van deze feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen in de woning van de verdachte plaatsvonden terwijl het Hof in de bewijsvoering tevens heeft betrokken de verklaring van de getuige. Anders dan in het tweede en het derde middel wordt betoogd, is van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake. De bewezenverklaringen zijn voldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5. De middelen falen.

Verder lezen
Terug naar overzicht