NBSTRAF 2017/99, Hoge Raad 14-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:221, 3452.14

Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij, Politie, Valse aangifte, Nodeloos gemaakte kosten

Samenvatting

Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van de publiekrechtelijke regelgeving. Van onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die een aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising. Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de te stellen vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.

Uitspraak

3. Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, voorheen Regiopolitie Gooi en Vechtstreek, thans de politie, op de grond dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

3.2. Ten laste van de verdachte is – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – bewezenverklaard dat:

“1. primair:

zij op tijdstippen in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Laren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededader een gewapende overval op kledingwinkel [...] te Laren in scene heeft gezet en vervolgens van die in scene gezette overval aangifte heeft gedaan bij de politie Gooi en Vechtstreek en medewerkers van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde in scene gezette overval;

2. primair:

zij in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging.”

3.3. Het Hof heeft de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gooi en Vechtstreek)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.787,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.349,42. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

‘Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.’ Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van schade aan de zijde van de benadeelde partij door de valse aangifte, is het in deze zaak ook de vraag of zo’n door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo’n rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat beantwoording van deze vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

 

3.4.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van “aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken.

3.4.2. Het gaat hier om kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht – welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten – verdraagt zich niet zonder meer met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving (HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360).

3.4.3. Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising in de hiervoor in 3.4.2 genoemde zin.

3.4.4. Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor in 3.4.3 vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

3.4.5. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.

3.4.5. Het middel faalt dus.

Terug naar overzicht