Nederland de onbetwiste marktleider in de internationale tax planning


De parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies2 heeft maar weinig helderheid weten te brengen in een rommelige discussie over de positie van Nederland in de internationale tax planning van multinationale concerns. De semantiek rond de ‘geest van de wet’ laat ik hier onbesproken. De verwarring begint al bij het begrip van de elementaire feiten. Bij herhaling stelt de commissie ‘dat in 2011 een bedrag van ongeveer € 4.000 miljard door in Nederland gevestigde vennootschappen stroomde.’3 Als dat zo was, had elke Nederlander een goedbetaalde baan in de trustsector. Het genoemde bedrag is geen stroom (flow) maar een stand (stock). Buitenlandse concerns hebben een belang in deze orde van grootte in Nederlandse bijzondere financiële instellingen (BFI’s); deze instellingen hebben op hun beurt belangen in deze orde van grootte in buitenlandse verbonden entiteiten. De daarmee corresponderende jaarlijkse dividend-, rente- en royaltystromen liggen rond de € 100 miljard. Tijd voor wat fact finding: wat weten we nu eigenlijk over het belang van Nederland als centrum van internationale tax planning?

De primaire bron van informatie over wat ik gemakshalve de ‘brievenbussector’ noem is De Nederlandsche Bank (DNB). Die publiceert al sinds enkele decennia statistische overzichten van de groei van BFI’s in Nederland.4 Ook recente rapportages – die van SEO en die van de Algemene Rekenkamer – maken gebruik van data verkregen van DNB. Uit die data ontstaat een duidelijk beeld. Er zijn rond de 12.000 BFI’s, die voor hun buitenlandse moedervennootschappen zo’n € 4.000 miljard waard zijn en ook zelf voor zo’n bedrag…

Verder lezen
Terug naar overzicht