Niet gebondenheid aan optie huurder


BW

Op 26 maart 2010 heeft de Hoge Raad wederom een uitspraak gedaan over de gebondenheid van rechtsopvolgers aan een in de huurovereenkomst opgenomen koopoptie en over art. 7:226 BW. De uitspraak is in lijn met het Vendex-arrest van 2007.

De casus was als volgt: In 1984 heeft verhuurder een huurovereenkomst gesloten met huurder voor een bedrijfspand (het betreft een transportonderneming). In de huurovereenkomst is een koopoptie.

In 1996 heeft de verhuurder het bedrijfspand verkocht en geleverd aan een koper onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik. De verhuurder is dus vruchtgebruiker geworden en de koper bloot eigenaar.

De huurder heeft de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd per 1januari 2004 en vordert nakoming van de koopoptie. De kantonrechter heeft in 2005 de vordering van huurder tot naleving van de koopoptie afgewezen.

Volgens Hof Den Bosch is de strekking van 7:226 BW (en destijds 7A:1612 oud) is de bescherming van de contractuele positie van de huurder na overgang (wijziging) van de goederenrechtelijke positie van de verhuurde zaak. 

Art. 7:226 bepaalt dat (lid 1) ‘Overdracht van de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder doen de rechten en verplichtingen van de verhuurder uit de huurovereenkomst, die daarna opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger.’ en (lid 2): ‘Overdracht door een schuldeiser van de verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld.’. Lid 3 – en daar gaat het op bepaalt ‘De verkrijger wordt slechts gebonden door die bedingen van…

Verder lezen
Terug naar overzicht