Nieuwe jurisprudentie geen reden voor verschoonbare termijnoverschrijding


Samenvatting

Belanghebbende is een in Spanje gevestigde vennootschap en in Spanje aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Belanghebbende heeft een Nederlandse deelneming (5,48%). In het onderhavige jaar is door de deelneming dividend uitgekeerd waarop, conform het Verdrag Nederland-Spanje, 15% dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende heeft deze dividendbelasting niet binnen zes weken teruggevraagd, echter pas na het verschijnen van nieuwe (Europeesrechtelijke) jurisprudentie. In geschil is of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Het verschijnen van nieuwe jurisprudentie is geen reden voor verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende had zelf (tijdig) een oordeel kunnen vormen over de verenigbaarheid van de Wet DB 1965 met het Europese recht. Teruggaaf op grond van art. 10 Wet DB 1965 is voorts niet mogelijk nu belanghebbende niet in Nederland is gevestigd. Deze bepaling is niet in strijd met het vrije verkeer van kapitaal: ook in Nederland gevestigde aan vennootschapsbelasting onderworpen vennootschappen, niet zijnde beleggingsinstellingen, met een Nederlandse deelneming hebben geen recht op teruggaaf ex art. 10 Wet DB 1965. Voorts wordt belanghebbende bij een ambtshalve teruggaaf niet slechter behandeld dan in Nederland gevestigde vennootschappen.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

In deze zaak wordt belanghebbende op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt dat gelijk hebben en gelijk krijgen twee verschillende dingen zijn. Het gaat in casu om een Spaanse entiteit die in Spanje is onderworpen aan de Spaanse vennootschapsbelasting. Belanghebbende heeft in de jaren 2001 tot en met 2005 dividenden ontvangen op haar 5,48%-belang in een Nederlandse nv, waarop 15% Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Ware belanghebbende in Nederland gevestigd, dan zou zij naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking zijn gekomen voor de…

Verder lezen
Terug naar overzicht