Nieuwe regels voor onroerendezaaklichamen


Het regime voor onroerendezaaklichamen in de overdrachtsbelasting wordt verrijkt met nieuwe antimisbruikwetgeving. Het huidige art. 4 Wet BRV, dat dateert uit 2000 en bedoeld was om ‘gaten’ in de toenmalige regeling definitief te dichten, vertoont inmiddels de nodige slijtage. Werden in 2008 al constructies met soortaandelen aangepakt, thans volgt in het Belastingplan 2011 onder meer een aanscherping van de bezitseis. Voortaan geldt de status van onroerendezaaklichaam (verder: OZL) bij meer dan 50%-vastgoedbezit en telt buitenlands vastgoed ook mee als ‘besmet’ bezit. Hiernaast veranderen de regels voor consolidatie en wordt oneigenlijke bezitsverwatering aangepakt. En passant wordt zelfs een geheel nieuw belastbaar feit ingevoerd; het verkrijgen van rechten op aandelen. Hiermee wordt heffing mogelijk bij een verkrijging van aandeelhoudersrechten die niet gepaard gaat met een verkrijging van aandelen.

1 Een korte geschiedenis

De geschiedenis van het huidige art. 4 Wet BRV begint in 2000. In dat jaar werd het toenmalige art. 4, dat nog dateerde uit 1970, vervangen door een nieuw regime. Met de nieuwe wettelijke regeling werd beoogd een einde te maken aan toen florerende constructies, zoals ‘dubbeldekkers’, ‘uitsmeer’- en ‘oppompconstructies’.2 De nieuwe regeling was echter niet zo waterdicht als de wetgever voor ogen stond. Door gebruik te maken van soortaandelen3 bleef het mogelijk om zeggenschap over te dragen zonder heffing van overdrachtsbelasting. In 2008 werd art. 4 aangepast4 om ook deze constructies onmogelijk te maken.5

Toch kruipt het bloed in de vastgoedsector blijkbaar waar het niet gaan kan. In het Belastingplan 2011 constateert het kabinet in ieder geval dat nog steeds constructies bestaan…

Verder lezen
Terug naar overzicht