Naar de inhoud

Nu ook opting-out bij enkele fictieve dienstbetrekkingen

In verband met de invoering van de Wet DBA is het mogelijk geworden voor opdrachtnemer en -gever om bepaalde fictieve dienstbetrekkingen niet van toepassing te laten zijn op hun situatie.

Dienstbetrekking Voor de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking en dus van inhoudingsplicht, moet er worden getoetst of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij die beoordeling spelen de volgende drie elementen een belangrijke rol: persoonlijke arbeid, betaling van loon en een gezagsverhouding tussen partijen.

Fictieve dienstbetrekking

Indien bij de toets of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking blijkt dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld het element gezag ontbreekt, dan is daarmee nog niet de kous af. Vervolgens moet worden getoetst of er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De wetgever heeft gemeend dat bepaalde arbeidsverhoudingen, hoewel ze niet voldoen aan alle eisen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, toch onder de werking van de loonheffingen moeten worden gebracht, omdat maatschappelijk gezien die personen toch als werknemer zouden worden gezien. Het overgrote deel van deze fictieve dienstbetrekkingen (art. 3 en 4 wet lb 1964; art. 2 e.v. ublb 1965) stamt uit het grijze verleden. In 2009 kondigde de staatssecretaris van Financiën aan dat hij het aantal fictieve dienstbetrekkingen wilde verminderen omdat de regelingen complex en veelal verouderd zijn. Ondanks die toezegging is sindsdien het aantal fictieve dienstbetrekkingen uitgebreid (o.a. sekswerker en bestuurder van beursgenoteerde vennootschappen).

Niet bij ondernemers De meeste fictieve dienstbetrekkingen worden opzijgezet indien de opdrachtnemer (‘werknemer’) arbeid verricht in het kader van een bedrijf of in het kader van de zelfstandige uitoefening van een…