Onderscheid kinderen en niet-kinderen bij tariefgroepindeling SW 1956 is gerechtvaardigd


Samenvatting

De oom van belanghebbende is overleden in 2013. Belanghebbende en zijn zus zijn de enige erfgenamen. Belanghebbende is van mening dat in zijn geval het tarief als zijnde een kind van erflater moet gelden omdat er geen redelijke rechtvaardiging (meer) is voor het door de wetgever op dit onderdeel gemaakte onderscheid tussen kinderen en niet-kinderen. Hij acht in dat verband de tariefgroepindeling van art. 24 SW 1956 in strijd met art. 26 IVBPR, art. 14 EVRM en art. 1 EP (bij het EVRM). Het hof overweegt dat de arresten HR 19 oktober 2007, nr. 41.938, NTFR 2007/2001 en HR 15 oktober 2010, nr. 09/03561, NTFR 2010/2825, die betrekking hebben op de tariefgroepindeling en het tarief in SW 1956 zoals geldend tot 1 januari 2010, hun betekenis hebben behouden voor de tariefgroepindeling en het tarief zoals geldend in het jaar van overlijden van erflater, derhalve in 2013. Het betoog van belanghebbende dat de samenstelling van de huishoudens en de samenlevingsvormen de laatste jaren zodanig zijn veranderd dat slechts het tarief voor kinderen van erflater van toepassing is, faalt derhalve. De wetgever heeft volgens het hof de ruime grenzen van de beoordelingsvrijheid niet overschreden en art. 24 SW 1956 is niet strijdig met de internationale verdragen.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Aan deze uitspraak valt weinig meer toe te voegen. In zijn arresten van 19 oktober 2007 (nr. 41.938, NTFR 2007/2001, met commentaar van Van Beelen) en 15 oktober 2010 (nr. 09/03561, NTFR 2010…

Verder lezen
Terug naar overzicht