Ontbreken handtekening uiterste wilsbeschikking: geen rechtens afdwingbare verplichtingen


Samenvatting

Eiser heeft naar aanleiding van een door erflaatster handgeschreven stuk betalingen uit de nalatenschap verricht. Het stuk was onderhands, ongedagtekend, niet ondertekend en niet aan een notaris in bewaring gegeven. In geschil was of eiser deze betalingen op zijn verkrijging in mindering kon brengen. Het door erflaatster opgestelde stuk is blijkens zijn inhoud erop gericht dat de daarin vastgelegde betalingen pas zullen plaatsvinden na haar overlijden. Het stuk moet worden aangemerkt als een uiterste wilsbeschikking in de zin van art. 4:42 BW. Een uiterste wil dient door de erflater te worden ondertekend, op straffe van nietigheid (art. 4:109, lid 1, BW). Nu het door erflaatster opgestelde stuk niet is ondertekend, kunnen daaruit dus geen rechtens afdwingbare verplichtingen ontstaan. Het ontbreken van de handtekening kan niet op de voet van art. 3:58 BW door bekrachtiging door een erfgenaam worden hersteld. Het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 1981, nr. 19.693, BNB 1981/88, ziet op een reeds tijdens het leven van de erflater overeengekomen en ingegane schenking. Dit is hier echter niet aan de orde, zodat het arrest toepassing mist. Er is geen sprake van rechtens afdwingbare schulden en evenmin van een rechtsgeldig legaat of een rechtsgeldige testamentaire last.

(Beroep ongegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht