Ontruiming van woonruimte en detailhandelsbedrijfsruimte door verhuurders gedurende bodemprocedure na opzegging


Onderdeel van de huurbescherming die huurders van woonruimte en detailhandelsbedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW (winkels, horeca enzovoort) genieten, is de regel dat zij na opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder in beginsel niet gehouden zijn het gehuurde te ontruimen totdat een rechter onherroepelijk heeft beslist op verhuurders vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst. Daardoor kan het soms enige jaren duren voordat een huurder daadwerkelijk hoeft te ontruimen. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de vraag of op deze regel uitzonderingen mogelijk zijn.

Huurbescherming ten aanzien van opgezegde huurovereenkomst

Art. 7:295 BW bepaalt dat een door de verhuurder rechtsgeldig opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst. Dit artikel is van toepassing op huurovereenkomsten die betrekking hebben op detailhandelsbedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW, zogenaamde ‘290-bedrijfsruimte’. Hiertoe behoren bijvoorbeeld winkelruimte en horeca. Het artikel geldt in alle gevallen waarin de verhuurder de huurovereenkomst opzegt en de huurder daarmee niet instemt. Het artikel geldt niet in geval van een ontbinding van de huurovereenkomst, bijvoorbeeld op grond van wanprestatie door de huurder. Voor woonruimte geldt het vergelijkbare art. 7:272 BW.

Een verhuurder die een huurovereenkomst van 290-bedrijfsruimte of woonruimte opzegt, is op grond van deze artikelen gehouden een gerechtelijke procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst te starten indien de huurder niet met de opzegging instemt. Daarbij zal de verhuurder ook vorderen dat de huurder na beëindiging van de huurovereenkomst het gehuurde dient te ontruimen. Bij toewijzing van de vordering, bepaalt…

Verder lezen
Terug naar overzicht