Naar de inhoud

Ontslagvergoeding: Duitse of Nederlandse heffing?

Recent heeft advocaat-generaal Wattel een conclusie genomen over de belastingheffing van een in 2007 genoten aanzienlijke ontslagvergoeding van een in Nederland woonachtige werknemer die deels werkzaam is geweest in Duitsland. De AG is, in navolging van de rechtbank en het hof, van mening dat het tussen Nederland en Duitsland overeengekomen besluit van 14 november 2007 niet van toepassing is. Het is aan de Hoge Raad of deze het oordeel volgt waardoor de ontslagvergoeding is belast conform zijn eigen, in 2014, geformuleerde richtlijnen.

In een eerdere bijdrage (Loonzaken 2016, nr. 1) is reeds aandacht geschonken aan de casus van de belastingplichtige welke nu definitief door de Hoge Raad moet worden beslecht. Toen zijn ook de mogelijke gevolgen vanaf 2016 besproken, aangezien het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland per die datum in werking is getreden. De casus van de belastingplichtige is een interessante casus om meerderlei redenen. Ten eerste is de ontslagvergoeding overeengekomen in 2007 maar vóór de datum waarop het besluit is gepubliceerd dat Nederland en Duitsland hebben afgesloten om dubbele belasting en niet-belasting te voorkomen terzake van ontslagvergoedingen op de lijn Nederland-Duitsland. Daarnaast heeft de Hoge Raad enkele jaren daarvoor, in juni 2004, richtlijnen geformuleerd voor de allocatie van heffingsrechten terzake van ontslagvergoedingen in internationaal verband. Het besluit van november 2007 baseert de verdeling van heffingsrechten op basis van tijdsevenredigheid gedurende het gehele arbeidsverleden bij de werkgever. De Hoge Raad hanteert een benadering die is gebaseerd op de verdeling van heffingsrechten over het arbeidsinkomen in het ontslagjaar en de vier daaraan voorafgaande (kalender)jaren (4+-periode) en staat vervolgens – behoudens bijzondere omstandigheden…