Oordeel Bundesfinanzhof over de rangorde tussen Europeesrechtelijke verdragsvrijheden


Samenvatting

Belanghebbende, een naar Duits recht opgerichte vennootschap, heeft dividenden ontvangen van onder meer een 94,5% Taiwanese en een 100% Amerikaanse deelneming. Op grond van de toenmalige Duitse fiscale wetgeving was het ontvangen deelnemingsdividend vrijgesteld, maar werd wel een bedrag van 5% van het ontvangen dividend bij de winst van de belanghebbende geteld. Deze zogenoemde ‘Schachtelstrafe’ was tot 2003 slechts van toepassing op deelnemingen in buitenlandse vennootschappen. In deze zaak is de vraag aan de orde of deze bijtelling voor het van de Taiwanese en Amerikaanse deelneming (niet EU-lidstaten) ontvangen dividend in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer. De vraag is of de vrijheid van kapitaalverkeer van toepassing is of dat de toepassing van de vrijheid van vestiging in dit specifieke geval bij uitsluiting boven de toepassing van de vrijheid van kapitaalverkeer gaat. Het Bundesfinanzhof oordeelt in dit arrest dat de vrijheid van kapitaalverkeer naast de vrijheid van vestiging kan worden toegepast. Omdat er sprake is van een niet gerechtvaardigde belemmering van art. 56 EG en er bovendien geen sprake is van een bestaande belemmering, kan de Schachtelstrafe niet worden toegepast.

Het Bundesfinanzhof ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EG, nu de toepassing van art. 56 EG in deze zaak naar de huidige stand van het EG-recht duidelijk is.

Commentaar

1. Inleiding

Het is niet gebruikelijk dat arresten van buitenlandse gerechtelijke instanties, anders dan het HvJ EG, over de toepassing van het Europese recht worden opgenomen in NTFR. Voor de opname van bovenstaand arrest van het Bundesfinanzhof is echter een goede reden. Het Bundesfinanzhof…

Verder lezen
Terug naar overzicht