Opzegtermijn bij onbepaalde tijd contract


BW

De rechtbank Amsterdam heeft een vonnis gewezen over de duur van de opzegtermijn voor een contract voor onbepaalde tijd. In de betreffende casus ging het om een (mondelinge) samenwerkingsovereenkomst tussen A en B die zes jaar had geduurd en waarbij B de samenwerking wilde beëindigen wegens een verschil van mening over de bedrijfsvoering en beloning van A. De rechtbank oordeelde dat partijen bij het aangaan van de samenwerkingsrelatie niets hebben afgesproken over het beëindigen van de relatie. Specifieke wettelijke bepalingen zijn op het einde van deze relatie niet van toepassing. De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een duurovereenkomst niet kan worden opgezegd, tenzij er een dringende reden bestaat. Dit dient volgens de rechtbank evenwel niet lichtvaardig te worden aangenomen. Partijen zijn het volgens de rechtbank erover eens dat de tussen hen bestaande overeenkomst vatbaar is voor opzegging. Ook de rechtbank gaat daar, in het licht van de omstandigheden van dit geval, van uit. De rechtbank oordeelde dat een opzegging plaatsvindt door een tot de wederpartij gerichte verklaring, die ertoe strekt de overeenkomst te beëindigen. Bij een opzegging dient volgens de rechtbank voor de wederpartij volstrekt helder te zijn dat en per wanneer de overeenkomst wordt beëindigd. Daarvan is hier geen sprake geweest. Onder deze omstandigheden is de beëindiging in casu - middels een brief - volgens de rechtbank gelijk te stellen aan een opzegging en is deze opzegging niet zonder meer onzorgvuldig of onrechtmatig. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat bij gebreke van een contractuele en van een wettelijke regeling de vraag of met voornoemde brief rechtsgeldig is opgezegd en of het B vrijstond dat met onmiddellijke ingang te doen, beantwoord dient te worden aan…

Verder lezen
Terug naar overzicht