Overdracht niet van belang voor verkrijgende verjaring


De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen over verkrijgende verjaring en wel over de verkrijgende verjaring als bedoeld in art. 3:105 BW.

De casus was als volgt:

Sinds 1999 is A eigenaar van een perceel grond met een huis. Naast A woont B. B is sinds 2007 eigenaar van een perceel grond met een huis. Een deel van het perceel van B is in gebruik bij A als tuin. Kortom, A gebruikt een deel van het perceel grond dat op naam staat van B. A stelt dat hij eigenaar is van dat deel en wel wegens verkrijgende verjaring. A stelt dat de vorige eigenaar (dus de verkoper van A) die grond reeds in zijn gebruik had sinds 1979.

De rechtbank geeft A gelijk. Het hof niet. Volgens het hof heeft A destijds bij zijn aankoop het kadaster geraadpleegd en geconstateerd dat de strook grond niet tot A’s perceel behoorde.

Volgens het Hof betekent dit dat A niet te goeder trouw is zodat A niet de lopende verjaring van zijn voorganger op de voet van art. 3:102, lid 2, BW heeft voortgezet. Volgens het Hof is voor A een nieuwe verjaringstermijn van 20 jaar gestart en die 20-jarige periode is nog niet voltooid en dus is er geen sprake van verkrijgende verjaring.

A heeft tegen de uitspraak van het Hof cassatie ingesteld. A stelt dat het Hof ten onterechte

Art. 3:102, lid 2, BW heeft toegepast terwijl A een beroep heeft gedaan op art. 3:105 BW.

De Hoge Raad heeft A in het gelijk gesteld. …

Verder lezen
Terug naar overzicht