Overleggen plaatsbewijzen niet noodzakelijk indien vast staat dat is gereisd met het ov


Samenvatting

Belanghebbende reist voor haar werk 3 tot 4 dagen in de week met het openbaar vervoer. In de aangifte IB/PVV 2004 heeft zij een bedrag als reisaftrek in mindering gebracht. Zij beschikte niet meer over originele plaatsbewijzen, maar heeft wel een reisverklaring van haar werkgever overlegd, evenals aanvragen via de werkgever van plaatsbewijzen en giroafschriften waaruit betalingen aan de NS blijken. De inspecteur heeft echter de reisaftrek niet geaccepteerd. Rechtbank Haarlem is van oordeel dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de kosten heeft gedragen en gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer. Dat zij geen plaatsbewijzen heeft bewaard, doet daar niet aan af. Wanneer in geschil is of een belastingplichtige die niet beschikt over een openbaar-vervoerverklaring heeft voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de reisaftrek, en de inspecteur in dit verband verzoekt hem de plaatsbewijzen te doen toekomen, wordt aan de bewijslast voldaan als de belastingplichtige aan dat verzoek voldoet. De wet geeft geen ruimte voor een alternatieve bewijslevering. Zowel tijdens de zitting bij de rechtbank als de zitting bij het hof heeft de inspecteur verklaard dat hij aannemelijk acht dat belanghebbende daadwerkelijk van het openbaar vervoer gebruik heeft gemaakt voor het woon-werkverkeer en de kosten daarvan heeft betaald. Vanaf dat moment is dat niet meer in geschil. Het leveren van bewijs door belanghebbende is dan ook niet meer aan de orde.

(Hoger beroep ongegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht