Pas bij uitoefenen koopoptie moet winst worden genomen (2006.35.3342)


X exploiteert in 2000 een landbouwbedrijf met onder meer 13 ha landbouwgrond. Op 29 april 2000 verleent X aan BV A door middel van een schriftelijke overeenkomst een koopoptie op de grond. X staakt in 2000 zijn onderneming. Begin 2001 maakt BV A gebruik van het optierecht en koopt de grond van X. De grond van X blijft een agrarische bestemming houden.

In geschil is of een beroep kan worden gedaan op de ‘ oude landbouwvrijstelling’ (vóór de wijziging per 27 juni 2000). Wanneer dit het geval zou zijn, zou het verschil van de waarde in het economische verkeer (WEV) en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) van de vervreemde landbouwgrond zijn vrijgesteld. Als de huidige landbouwvrijstelling van toepassing zou zijn, is het verschil tussen de WEV en de WEVAB wél belast. De Hoge Raad oordeelt dat de koopoptie geen obligatoire overeenkomst is, die partijen tot de transactie verplichtte.

BV A had slechts het recht tot koop. Goed koopmansgebruik staat niet toe al winst te nemen bij optieverlening. De transactie valt daarom onder de vanaf 27 juni 2000 geldende wet, zodat de boekwinst niet is vrijgesteld.

De redactie van V-N is het met deze beslissing eens. Een koopoptie kan niet worden aangemerkt als een obligatoire overeenkomst die de optieverlener bindt tot verkoop en de optienemer bindt tot koop van de landbouwgrond.

De optieverlener is slechts verplicht tot verkoop als de optienemer op een later moment gebruik maakt van zijn koopoptierecht. De optienemer heeft het zelf in de hand om het optierecht al dan niet uit te oefenen. Winstneming kan derhalve op zijn vroegst plaatsvinden op het moment van uitoefening van het koopoptierecht door de optienemer en het sluiten van de koopovereenkomst.

HR; 19 mei 2006; nr 41718; V-N 2006/39.18

Verder lezen