Plaatsing van preferente aandelen in onroerendezaaklichaam


Art 4 Wet BRV

De Hoge Raad heeft op 15 juni jl. geoordeeld dat preferente aandelen in een onroerendezaaklichaam niet mogen worden genegeerd. In de desbetreffende situatie waren bij omzetting van een stichting in een bv in 1999 zowel gewone aandelen als preferente aandelen uitgegeven. De gewone aandelen waren (deels) bij een holding geplaatst. De preferente aandelen werden (deels) uitgegeven aan een bevriende partij, die het geld geleend had gekregen van een aan de holding gelieerde vennootschap tegen een lage rente die niet hoefde te worden betaald als de onroerendezaak-bv geen dividend uitkeerde. De aandelen waren in een zodanige verhouding uitgegeven dat de verkrijger van de gewone aandelen minder dan eenderde van het nominale kapitaal verkreeg en mitsdien op grond van de toen (tot 2008) geldende wettekst van art. 4 Wet BRV geen belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting werd geconstateerd. Naar de mening van de inspecteur dienden echter de preferente aandelen ofwel aan de verkrijger van de gewone aandelen (de holding) te worden toegerekend ofwel te worden genegeerd. Conform de uitspraak van het hof die de inspecteur in het ongelijk stelde, heeft nu ook de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris verworpen.
HR 15 juni 2012, nr. 11/02194, NTFR 2012/1632

Verder lezen
Terug naar overzicht