PPS is here to stay


Publiek private samenwerking (PPS) is inmiddels een vast onderdeel van het contractuele repertoire van de rijksoverheid voor de ontwikkeling van vastgoed en infrastructuur, met een behoorlijke dealflow in het vooruitzicht. De overheid heeft in overleg met de markt afgelopen jaren grote stappen gemaakt in de standaardisering van contracten en de aanbestedingsprocedure. Alleen bij decentrale overheden en in de zorg en onderwijs krijgt PPS nog weinig voet aan de grond.

1 Inleiding

In een PPS-project gaat de overheid een DBFM ( Design, Build, Finance, Maintain)-contract aan met een marktpartij. Op basis van dat contract zorgt de opdrachtnemer voor het ontwerp, realisatie, (voor)financiering en onderhoud van een object gedurende de looptijd van het contract, meestal zo’n 25 jaar. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de mate van beschikbaarheid van het object. De opdrachtnemer is meestal een Special Purpose Company (SPC), een vennootschap die uitsluitend ten behoeve van dit project wordt opgericht. Het benodigde kapitaal voor ontwerp en realisatie wordt verschaft door eigen vermogen van de aandeelhouders in de SPC en door bankfinanciering. Bijzonderheid is dat de banken de financiering verschaffen op basis van uitsluitend de projectdocumentatie en de kasstroom die zij op grond daarvan verwachten en geen regres op zaken of moedermaatschappijen hebben. Dit brengt met zich dat de banken zeer kritisch kijken naar de projectdocumentatie gedurende het aanbestedingstraject. De banken sluiten daarom ook een overeenkomst met de overheid op grond waarvan de overheid slechts bevoegd is het DBFM-contract te beëindigen nadat de banken de gelegenheid hebben gekregen het contract over te nemen en voort te zetten (de zogenaamde ‘directe overeenkomst’). …

Verder lezen
Terug naar overzicht