President Rechtbank Almelo 29-09-1999 (Rammeloo), Prg. 2000, 5486


Directeur. Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen. Concurrentiebeding. Keuze nietigheid/schadeplichtigheid.

Een statutair directeur, bijna 16 jaar in dienst, wordt op staande voet ontslagen. De werknemer beroept zich op nietigheid en vordert een verklaring voor recht. De arbeidsovereenkomst wordt vervolgens voorwaardelijk ontbonden met een vergoeding van NLG 105.000,- bruto en de werkgever trekt het ontslag op staande voet in. De werknemer vordert in kort geding vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding. Tijdens de bodemprocedure vordert de werknemer een verklaring voor recht dat de werkgever schadeplichtig is. Thans vordert de werknemer opnieuw in kort geding gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding en afgifte van de klantenlijst om de omvang van het concurrentiebeding te bepalen. De werknemer stelt nooit te hebben ingestemd met de intrekking van het ontslag op staande voet, zodat dit ontslag is blijven bestaan en de werkgever schadeplichtig maakt. Overigens stelt de werknemer dat intrekking van het ontslag de schadeplichtigheid niet opheft. Bovendien kan eenzijdige intrekking, bijna vier maanden na het ontslag achteraf de schadeplichtigheid niet ontnemen. Indien het concurrentiebeding in stand wordt gelaten vordert de werknemer een vergoeding van NLG 10.300,-- bruto per maand ex art. 7:653 lid 4 BW. De werkgever stelt dat de werknemer geen belang heeft omdat de president in kort geding al eerder heeft beslist inzake het concurrentiebeding. De arbeidsovereenkomst is door ontbinding geëindigd en de werknemer heeft niet gereageerd op de intrekking van het ontslag. De president verwerpt dit verweer omdat een vonnis in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Volgens vaste jurisprudentie kan van opzegging alleen worden teruggekomen met toestemming van de wederpartij. In dit geval heeft de werknemer niet gereageerd, ook niet tijdens de kort geding procedure over het concurrentiebeding. De werkgever mocht er dus van uit gaan dat er geen bezwaar tegen de intrekking bestond. Daarmee heeft de werknemer echter niet de schijn gewekt in te stemmen met de ongedaanmaking van zijn aanspraak op grond van onregelmatig ontslag. Voor deze afstand is een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist. De werknemer beroept zich dan ook terecht op de schadeplichtigheid van het ontslag. Het feit dat de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is ontbonden doet daar niet aan af. Een voorlopige voorziening heeft geen bindende kracht in een bodemprocedure. Het komt de president aannemelijk voor dat de rechtbank in een bodemprocedure het ontslag als schadeplichtig zal aanmerken. Dit betekent dat de werkgever op grond van art. 7:653 BW geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding. De werknemer heeft dan ook geen belang bij schorsing. De president wijst de vordering af.

Terug naar overzicht