President Rechtbank Haarlem 19-04-2000 (Ruitinga), JAR 2000, 148


Concurrentie(beding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 148.

Nadat een overname door een werknemer van een onderneming was afgesprongen werd het dienstverband met de werknemer en een collega met wederzijds goedvinden beëindigd, waarna de werknemer met de collega een concurrerend bedrijf begint. Ex-werkgever vordert in kort geding een verbod wegens overtreding van het concurrentiebeding subsidiair wegens onrechtmatige concurrentie. Het concurrentiebeding was echter opgenomen in algemene arbeidsvoorwaarden, waarnaar in de arbeidsovereenkomst werd verwezen. Door de wijziging van art. 7:653 lid 1 BW en de rechtstreekse werking van art. 68a OW was niet aan het directe schriftelijkheidsvereiste voldaan, zodat het concurrentiebeding geen gelding (meer) heeft. Wel acht de president de concurrentie onrechtmatig, nu de nieuwe onderneming, zonder noodzaak, op minder dan 500 meter afstand, (in een kleine plaats) van de oude werkgever is gevestigd. Ook al worden de oude klanten niet actief benaderd door de ex-werknemers, toch beïnvloeden zij door de keuze van vestigingsplaats de kans dat met name de klanten met wie zij persoonlijk contact hadden de identiteit van beide kantoren niet uit elkaar houden. De ex-werknemers worden veroordeeld om hun activiteiten in de betreffende vestigingsplaats te staken op straffe van een dwangsom. De vordering van de ex-werkgever tot retourneren van dossiers wordt afgewezen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat ex-werknemers dossiers en andere gegevens hebben meegenomen en voor noodzakelijke bewijslevering daarover in kort geding geen plaats is. Ook de vordering van de ex-werkgever tot betaling van een voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen omdat niet met voldoende mate van zekerheid valt aan te nemen dat de bodemrechter die vordering zal toewijzen nu niet is komen vast te staan dat de ex-werkgever omzetverlies heeft geleden. De vorderingen van de ex-werknemers tot betaling conform de beëindigingsovereenkomst worden eveneens afgewezen nu niet op voorhand valt aan te nemen dat die door de bodemrechter zullen worden toegewezen gezien het verweer van de ex-werkgever, onder meer dat de beëindigingsovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden niet in stand kan blijven.

Terug naar overzicht