President Rechtbank 's-Gravenhage 11-08-1999 (Van Delden), RvdW KG 1999, 280, JAR 1999, 247.


Concurrentiebeding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 247..

Een medewerker buitendienst met een dienstverband van vier jaar zegt zijn arbeidsovereenkomst op om bij een bedrijf in dienst te treden dat dezelfde activiteiten verricht als de werkgever. Met een beroep op het overeengekomen concurrentiebeding vordert de werkgever een verbod tot indiensttreding. De werknemer stelt dat de werkgever geen beroep op het concurrentiebeding kan doen omdat hij zijn werkzaamheden grotendeels voor een zusteronderneming heeft uitgevoerd. Bovendien had het concurrentiebeding opnieuw moeten worden overeengekomen omdat zijn functie is gewijzigd. Volgens de president behoefde er geen nieuw concurrentiebeding overeengekomen te worden nu de werknemer zijn werkzaamheden voor de zusteronderneming in opdracht van de werkgever uitvoerde. Van overgang van onderneming of een andere vorm van inbreng in de zusteronderneming is geen sprake. Het concurrentiebeding is ook niet zwaarder gaan drukken omdat de werknemer, ondanks wijziging van het assortiment van de werkgever, zijn functie van buitendienstmedewerker is blijven uitoefenen. Nu de werknemer voor de nieuwe werkgever dezelfde werkzaamheden op dezelfde markt gaat verrichten, is het niet uitgesloten dat de werkgever hiervan nadeel zal ondervinden. De president verbiedt de werknemer gedurende zes maanden werkzaamheden te verrichten op het gebied van wintersportartikelen onder verbeurte van een dwangsom van NLG 2.500,-- voor iedere dag van overtreding met een maximum van NLG 100.000,--.

Verder lezen
Terug naar overzicht