President Rechtbank Utrecht 21-11-2000 (Van der Burg), Prg. 2001, 5637


Concurrentiebeding. Geheimhouding. Boetebeding. Ziekte. Loon. Verrekening. Goed werknemerschap.

Zes werknemers van een praktijk voor alternatieve geneeskunde melden zich ziek en verzoeken de rechtbank de werkgever failliet te verklaren. Ondanks dat de werknemers de werkgever diverse grote bedragen hebben geleend is de werkgever in grote financiële problemen geraakt. De werkgever vordert in kort geding nakoming van het concurrentie- beding respectievelijk het geheimhoudingsbeding, een voorschot schadevergoeding en de boete voor het overtreden van het concurrentiebeding. Na vermeerdering van eis vordert de werkgever met een beroep op het schuldeiserverzuim bevrijding van zijn loonbetalingsplicht en van terugbetalingsverplichting van de leningen, en verrekening van zijn schuld met hetgeen hij nog van de werknemers te vorderen heeft. De werknemers vorderen in reconventie achterstallig loon en restitutie van het geleende geld. De president acht de werkgever ontvankelijk in zijn vordering. Hij is van oordeel dat de werkgever zich niet op het concurrentiebeding kan beroepen omdat dit pas in werking treedt na einde dienstverband en overtreding zou hebben plaats gevonden tijdens het dienstverband. Dit geldt ook ten aanzien van het geheimhoudingsbeding, zodat de vorderingen op deze twee punten moeten worden afgewezen. Vervolgens stelt de president vast dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers bezig zijn geweest met het overnemen van zijn onderneming. Van onrechtmatig handelen is geen sprake, noch van handelen in strijd met het goed werknemerschap. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding is de president van oordeel dat de schade niet vaststaat en de hoogte van het bedrag niet aannemelijk is gemaakt. Nu van overtreding van een concurrentiebeding geen sprake is, kan de boete niet zijn verbeurd en moet de vordering derhalve worden afgewezen. Ook van schuldeiserverzuim is geen sprake omdat de werkgever ook bij arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers aan zijn loonbetalingsplicht dient te voldoen. Aangezien de werkgever niet heeft betwist dat de werknemers daadwerkelijk ziek zijn, kan de werkgever zijn betalingsverplichting niet opschorten, ook niet wanneer vrijwel alle werknemers ziek zijn. Aangezien de vorderingen van de werkgever onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt, is het beroep op verrekening niet aan de orde. De president wijst alle vorderingen af en de reconventionele vordering behoeft geen bespreking meer

Verder lezen
Terug naar overzicht