Rechtbank Alkmaar 24-04-2003, JAR 2003, 161


Directeur. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 161.

De werknemer, 57 jaar oud, is sinds 1 januari 1994 bij de werkgever in dienst als statutair directeur tegen een salaris van € 11.701,-- per maand inclusief indexering, exclusief 8% vakantietoeslag, 1,5% eindejaarsuitkering, een bonus en andere emolumenten. Vanaf 1985 is de werknemer als directeur werkzaam bij rechtsvoorgangers van de werkgever. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werknemer, ingeval hij wordt ontslagen of ingeval van ontslag op zijn initiatief vanwege een belangrijke verandering in zijn positie, aanspraak kan maken op een ontslagvergoeding. Bij ontslagname in de periode tot 1 januari 2004 bedraagt deze vergoeding vijf maandsalarissen. Op 18 september 2000 zijn de aandelen in de holdingmaatschappij van de werkgever door een andere vennootschap overgenomen. De werknemer stelt dat in de periode daarna zijn vrijheid van handelen belangrijk is ingeperkt. Dit zou uiteindelijk tot een verstoring van de relatie hebben geleid. De werknemer is in februari 2003 op non-actief gesteld. Hij verzoekt thans ontbinding onder toekenning van de vergoeding zoals deze is opgenomen in de arbeidsovereenkomst dan wel een vergoeding aan de hand van C=2. De rechtbank ontbindt de arbeidsovereenkomst vanwege de verstoorde verhouding tussen partijen. Ten aanzien van de vergoeding overweegt de rechtbank dat het bij een ontbindingsverzoek als bedoeld in art. 7:685 BW ter discretionaire beoordeling van de rechtbank staat om een vergoeding toe te kennen. Dit brengt mee dat de rechtbank bij de beoordeling van de verzochte ontbinding en de eventueel toe te kennen vergoeding niet gebonden is aan al dan niet tussen partijen vastgestelde afvloeiingsregelingen. Desalniettemin kan een dergelijke regeling een omstandigheid zijn waarmee de rechtbank bij de beoordeling van het geschil rekening kan houden. Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank de werknemer niet volgen in zijn standpunt dat de rechtbank gebonden is aan de contractuele afvloeiingsregeling. De rechtbank oordeelt vervolgens dat een overname in het algemeen gevolgen heeft voor de positie van een directeur van de rechtspersoon die wordt overgenomen. Deze verandering ligt niet per definitie alleen in de risicosfeer van de werkgever. Een dergelijke wijziging rechtvaardigt daarom geen vergoeding in de orde van grootte zoals door de werknemer is gevorderd. Relevant is voorts dat de werknemer ter zitting heeft verklaard dat hij in contact is met een nieuwe werkgever en dat de onderhandelingen over het aanvaarden van een dienstbetrekking aldaar in een vergevorderd stadium zijn. Een en ander rechtvaardigt toepassing van een correctiefactor van 0,5, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 192.399,60.

Terug naar overzicht