Rechtbank Almelo 20-10-1999, JAR 1999, 249


Opzegtermijn. Bepaalde tijd. RDA-vergunning. Kennelijk onredelijk ontslag. Gefixeerde schadevergoeding. Matiging loonvordering.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 249.

Een werkgever zegt de arbeidsovereenkomst van een werkneemster (vijf jaar in dienst, salaris NLG 2.892,60 bruto per maand) in het kader van een collectief ontslag met toestemming van de RDA op met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden. Eén maand voor de beëindigingsdatum verlengt de werkgever de termijn met vijf maanden tot 1 januari 1998. Met ingang van deze datum verricht de werkneemster dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever op uitzendbasis. Een half jaar later ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voor zover vereist. De werkneemster stelt dat door verlenging van de opzegtermijn een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan, voor beëindiging waarvan toestemming van de RDA nodig was. Die was er niet, dus is het ontslag nietig. Indien niet nietig, dan is er sprake van een kennelijk onredelijk ontslag omdat er sprake is van een valse of voorgewende reden (de werkzaamheden waren immers niet vervallen). De kantonrechter wijst de vordering af, overwegende dat er geen sprake is van een voortgezette arbeidsovereenkomst omdat het ontslag na verlenging van de opzegtermijn nog steeds met toestemming van de RDA is gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de werkneemster dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd per 1 augustus 1997 en is voortgezet voor bepaalde tijd voor vijf maanden, onjuist is. Door verlenging van de opzegtermijn is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opgezegd met een opzegtermijn van negen maanden. Deze termijn is in strijd met art. 7:671 lid 2 BW (oud), op grond waarvan de opzegtermijn niet langer dan zes maanden mag zijn. Op grond van art. 7:672 lid 6 BW (oud) was verlenging toegestaan, mits de termijn van opzegging voor de werknemer niet langer is dan zes maanden en die voor de werkgever minimaal het dubbele van de werknemer is. Dit betekent dat schriftelijk kan worden overeengekomen dat voor de werkgever een opzegtermijn van negen maanden geldt. De rechtbank is echter van oordeel dat verlenging niet tijdens een lopende termijn van opzegging kan worden overeengekomen, omdat de ongelijke situatie van de werknemer ten opzichte van die van de werkgever dit met zich meebrengt. Niet gebleken is dat een verlenging voorafgaand aan de opzegging is overeengekomen en dus is de opzegtermijn nietig vanwege strijd met de wet. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd nadat de langst geoorloofde termijn is verstreken en dat vervolgens een overeenkomst voor bepaalde tijd is ontstaan. De werkgever had voor beëindiging van deze overeenkomst geen toestemming van de RDA, dus is de overeenkomst geëindigd per datum ontbinding (1 juli 1998). Niet kan worden ingezien dat de werkneemster door…

Terug naar overzicht