Rechtbank Almelo 24-07-2002, JAR 2002, 243


Bedrijfsongeval. Beroepsziekte (RSI).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 243.

Bij tussenvonnis is partijen gevraagd nadere stukken in het geding te brengen en zijn deskundigen benoemd. Deze hebben inmiddels hun rapport uitgebracht. Hun conclusie luidt dat er sprake lijkt te zijn van een combinatie van aspecifieke en specifieke RSI alsmede van een chronisch pijnsyndroom, waarbij ook psychische en sociale aspecten een rol spelen. De meest waarschijnlijke oorzaak van de afwijkingen is een combinatie van een zekere predispositie en de aard van het belastingpatroon ten tijde van het ontstaan van de klachten. De werkgever heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport opgemerkt dat de schade niet geheel aan hem toegerekend dient te worden, gelet op de predispositie van de werkneemster. Bovendien zou er geen sprake zijn geweest van overbelasting omdat de werkneemster slechts twee tot drie dagen van vier tot vijf uur per week werkte. De rechter overweegt dat naar vaste jurisprudentie het causaal verband tussen een onrechtmatige gedraging en ontstane schade gegeven is, behoudens tegenbewijs, indien door de gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt. De werkgever heeft ter zake echter geen bewijsaanbod gedaan. Dat de werkneemster parttime werkte brengt niet mee dat haar schade niet aan de werkgever zou kunnen worden toegerekend. De predispositie van de werkneemster komt ingevolge vaste jurisprudentie voor rekening van de werkgever. Deze heeft de werkneemster te nemen zoals zij is. Of zij, gezien haar predispositie, in de toekomst zeker klachten zou hebben ontwikkeld en binnen ongeveer vijf jaar door die klachten zou zijn uitgevallen, kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen. De werkgever wordt thans veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van NLG 7.500,-- (€ 3.403,35).

Terug naar overzicht