Rechtbank Amsterdam 04-08-1999, JAR 1999, 173


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. Schorsing.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 173.

De aandelen in een werkmaatschappij waar de werknemer was gedetacheerd worden door de holding, waar de werknemer in dienst was, verkocht. Voordat de holding de aandelen van de werkmaatschappij overdraagt aan een derde, treedt de toen 58-jarige werknemer in dienst bij deze derde. Als gevolg daarvan stelt de holding dat het dienstverband is geëindigd. De werknemer acht deze opzegging nietig en vordert een verklaring voor recht dat het dienstverband onverminderd voortduurt. De kantonrechter wijst de vordering toe en de werkgever gaat in hoger beroep. De werknemer verzoekt vervolgens onvoorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding. De kantonrechter verklaart de werknemer echter niet-ontvankelijk omdat nog niet bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak over het nog bestaan van de arbeidsovereenkomst is beslist. De werknemer gaat in hoger beroep. De rechtbank overweegt, dat nu inmiddels in hoger beroep is vastgesteld dat het dienstverband onverminderd voortduurt, er geen reden is de werknemer niet-ontvankelijk te verklaren in zijn ontbindingsverzoek. Dit betekent dat doorbreking van het appélverbod gerechtvaardigd is en de beschikking moet worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van veranderde omstandigheden zodanig dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Deze verandering ligt in de risicosfeer van de werkgever, die werknemer na een jarenlang dienstverband in onzekerheid bracht over zijn positie binnen het concern van de werkgever. Van een vrije keuze om de functie bij de nieuwe werkgever te aanvaarden is geen sprake. Er is dus alle reden de werknemer een vergoeding toe te kennen waarbij de kantonrechtersformule tot uitgangspunt dient. De werknemer is inmiddels 60 jaar en 26 jaar in dienst met een salaris van NLG 19.205,-- bruto per maand. De bonus blijft daarbij buiten beschouwing omdat dit geen vast loonbestanddeel is. Aangezien de werknemer niet zonder inkomsten is geweest is er reden voor matiging. Het feit dat de werknemer bij de nieuwe werkgever inmiddels van een vutregeling gebruik heeft gemaakt en daardoor per maand NLG 15.000,-- in inkomen op achteruit is gegaan komt voor rekening van de werknemer nu hij daarover met de holding, waar hij nog in dienst was, geen overleg heeft gepleegd. De rechtbank vernietigt de beschikking van de kantonrechter en ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 400.000,-- bruto.

Terug naar overzicht