Rechtbank Amsterdam 06-02-2002, JOR 2002, 90


Anciënniteitsbeginsel. Faillissement.

Een 63-jarige werknemer is gedurende 35 jaar werkzaam in ondernemingen die behoren tot een bepaald concern (A). Bij één van die ondernemingen (B) is hij in dienst. Deze onderneming gaat op eigen verzoek failliet. De werknemer stelt dat er sprake is van misbruik van recht omdat tot het faillissement is besloten met het uiteindelijke doel de enige werknemer die bij de onderneming in dienst was zijn arbeidsrechtelijke bescherming te onthouden. Zonder faillissement zou de werknemer bij gedwongen ontslag door A, gezien zijn anciënniteit, niet zijn ontslagen. De rechtbank stelt vast dat B een juridisch zelfstandige vennootschap was, die als werkgever optrad. In feite was het echter A die als werkgever fungeerde. B beschikte niet over enige geldmiddelen en de loonbetalingen werden door A verricht. B is slechts een papieren realiteit, die zodanig door A werd gebruikt, dat deze feitelijk niet van A te onderscheiden was. Bovendien zou indien er noch bij B noch bij A werk was voor de werknemer, bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een aanzienlijke vergoeding aan hem zijn toegekend. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het faillissement is aangevraagd met uitsluitend het doel te ontkomen aan de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemer. Dit is misbruik van recht. De rechtbank verklaart het verzet gegrond en vernietigt het vonnis.

Terug naar overzicht