Rechtbank Amsterdam 06-10-1999, JAR 1999, 227


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 227.

Een werkgever zegt de arbeidsovereenkomst van een televerkoopmedewerkster (39 jaar in dienst, salaris NLG 4.012,22 bruto per maand) na vier jaar volledige arbeidsongeschiktheid met toestemming van de RDA op. De werkneemster heeft tijdens het werk een splinter in haar vinger gekregen, die na ontsteking uiteindelijk moest worden geamputeerd. Sindsdien is de werkneemster volledig arbeidsongeschikt. De werkneemster acht het ontslag kennelijk onredelijk en vordert een verklaring voor recht en een schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af. Eerder heeft de rechtbank in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter vernietigd en geoordeeld dat de werkgever zijn zorgplicht ex art. 1638x BW (oud) niet heeft geschonden. De werkneemster stelt in hoger beroep dat de werkgever onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. De rechtbank overweegt dat de werkneemster 35 jaar bij de werkgever heeft gewerkt voordat zij arbeidsongeschikt werd en dat zij, toen zij op 57-jarige leeftijd werd ontslagen, geen zicht had op werk. Bij voortzetting van het dienstverband zou zij twee jaar later met pensioen zijn gegaan. Deze omstandigheden maken het ontslag zonder financiële vergoeding kennelijk onredelijk omdat de gevolgen voor de werkneemster te ernstig zijn in verhouding tot het belang van de werkgever. In het midden kan blijven voor wiens risico de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid komt. De gevorderde vergoeding acht de rechtbank billijk. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en veroordeelt de werkgever tot betaling van een schadevergoeding van NLG 25.000,-- bruto.

Terug naar overzicht