Rechtbank Amsterdam 22-03-2000, JAR 2000, 75


Gelijke behandeling. Loon (functiewaardering).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 75.

Twee verzekeringsgeneeskundigen treden in dienst bij de GMD. In hun arbeidsovereenkomst evenals in de GMD-CAO is bepaald dat het eindsalaris afhangt van een nieuw in te voeren functiewaarderingssysteem (FUWA). Dit nieuwe functiewaarderingssysteem kent kleinere periodieke salarisverhogingen en aanzienlijk lagere eindsalarissen dan de oude salarisschalen. Op een gegeven moment treden de artsen in dienst van het GAK. De GAK-CAO bevatte destijds niet een dergelijke bepaling. Wel heeft het GAK aangekondigd het nieuwe functiewaarderingssysteem op alle nieuwe artsen te zullen toepassen. Het GAK heeft dit echter niet consequent gedaan. Een aantal artsen wordt derhalve niet beloond volgens het nieuwe functiewaarderingssysteem maar volgens het oude salarissysteem. De verzekeringsgeneeskundigen stellen dat het GAK daarmee handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en vorderen een betaling volgens de oude GMD-schalen. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van ongelijke beloning voor gelijke arbeid en dat een objectieve rechtvaardigingsgrond niet gevonden kan worden in de overgang van GMD naar GAK. De kantonrechter gelast comparitie van partijen. In hoger beroep stelt de rechtbank eveneens vast dat er sprake is van ongelijke beloning voor gelijke arbeid en dat onderzocht moet worden of daar een objectieve rechtvaardiging voor bestaat. Het samengaan van GMD en GAK geldt niet als objectieve rechtvaardiging nu de ongelijke beloning niet het gevolg is van dit samengaan maar van de invoering van een nieuw functiewaarderingssysteem. Dit laatste is wel een objectieve rechtvaardigingsgrond, ook indien ten gevolge daarvan nieuwe werknemers ongunstiger worden beloond dan werknemers die eerder in dienst waren. Daar doet niet aan af het feit dat het GAK het nieuwe systeem niet consequent heeft toegepast. Niet gesteld kan worden dat iedere schending van het beginsel gelijke beloning voor gelijke arbeid moet leiden tot aanpassing van het loon van de werknemers die ongunstiger worden beloond. Dit beginsel kan namelijk niet op één lijn worden gesteld met het beginsel van verbod op onderscheid op grond van geslacht, ras of geloof. De rechtbank vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de kantonrechter.

Terug naar overzicht