Rechtbank Arnhem 07-12-2000, Prg. 2001, 5615


Proeftijd. Bepaalde tijd. CAO. Matiging loonvordering.

Een chauffeur met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar wordt twee dagen voor het verstrijken van de overeengekomen proeftijd van twee maanden ontslagen. De werknemer stelt dat het proeftijdbeding in strijd is met art. 7:652 lid 4 BW (proeftijd van een maand bij een arbeidsovereenkomst van minder dan twee jaar) en dus nietig is. Hij vordert doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging. De werkgever stelt onder verwijzing naar de CAO, waarin is bepaald dat een proeftijd van ten hoogste twee maanden op straffe van nietigheid schriftelijk moet worden medegedeeld, dat op grond van art. 7:652 lid 6 BW afwijking van de wettelijke proeftijd bij CAO is toegestaan. De kantonrechter (Tiel 24-05-2000) is met de werknemer van mening dat het proeftijdbeding nietig is. Er is geen sprake is van afwijking bij CAO ten nadele van de werknemer omdat in de CAO staat dat slechts een proeftijd kan worden bedongen van ten hoogste twee maanden en dat die schriftelijk moet worden medegedeeld. De opzegging is derhalve niet rechtsgeldig. De kantonrechter wijst de vordering toe onder matiging tot 25%. De werkgever gaat in hoger beroep. De rechtbank overweegt dat voor de uitleg van een CAO-bepaling de bewoordingen gelezen in het licht van de gehele CAO-tekst doorslaggevend zijn. In dit geval kan uit de bewoordingen van de CAO-bepaling niets anders worden afgeleid dan dat de werkgever de proeftijd schriftelijk moet mededelen. De toevoeging van ten hoogste twee maanden is geen afwijking in de zin van art. 7:652 lid 6 BW. Het proeftijdbeding is derhalve nietig. Aangezien de werkgever heeft gesteld dat de werknemer door elders in dienst te treden niet langer bereid was de overeengekomen arbeid te verrichten (hetgeen niet noodzakelijkerwijze zo is) houdt de rechtbank de beslissing voorlopig aan om de werkgever de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten

Terug naar overzicht